Interview met auteur Stephan De Winter - ‘Voor altijd geleden. Haar verhaal gaat verder op een plek genaamd rouw.’
‘Ik heb een vriend die een boek geschreven heeft’. Als redacteur Christel Van Renterghem dat hoort, staan haar antennes aan. Zo was het ook toen Sander, de sympathieke cafébaas van de Bar à l’aise in Gent, deze magische zin uitsprak. Dezelfde dag deed Christel wat opzoekingen op internet over de inhoud en zag ze dat er een exemplaar in de bibliotheek was, jammer genoeg uitgeleend. Maar geduld is een mooie gave.
De toon is direct gezet: ‘Het voelt alsof Emma geen echte persoon meer is. Emma is een plek waarin ik ben vast komen te zitten, een pijn die ik niet kan uitwissen’. Deze zinnen zijn zo herkenbaar voor mensen die rouwen om een dierbare. Kan je in het kort vertellen waarover het verhaal gaat?
Het verhaal begint met Tristan, een jonge gast die in diepe rouw zit, nadat hij zijn vriendin Emma verloren is aan longkanker. Doorheen het boek leren we hun voorgeschiedenis kennen: hoe ze verliefd werden, haar ziekte, en hoe ze proberen verbinding te vinden in aanloop naar het afscheid. Dat is de eerste verhaallijn.
Parallel is er een tweede verhaallijn. Nog voor Emma ziek wordt, vindt er er een treinramp plaats in de buurt van een natuurdomein genaamd ‘ De Zandbergen’, de plek waar hun relatie begon. Het domein wordt afgezet voor de veiligheid, waardoor het een ondoordringbare ‘Zone’ wordt. Wanneer Emma overlijdt, beseft Tristan dat hij nog een belofte waar te maken heeft in De Zandbergen. Zijn vrienden helpen hem om binnen te breken, waarna er zich een emotionele rollercoaster ontspint…
Eenmaal binnen blijkt dat Tristan zijn rouw een absoluut trauma vormt. De rouw zit zodanig diep, dat hij zelfs twijfelt of het goed was dat hij Emma heeft leren kennen.
De open vraag van het hele boek wordt dan in feite: is er een weg terug van trauma naar rouw, en van rouw naar een verhaal dat (ondanks het afscheid) troost brengt?
Het boek kan je dus opsplitsen in twee verhaallijnen, een realistische en een surreële. Kan je de link even uitleggen?
De link tussen die twee is, in feite, het centrale mysterie van het verhaal. Ik heb doelbewust geprobeerd om dit open te houden voor interpretatie. Ik merk dan ook dat er bij mijn lezers veel verschillende interpretaties opduiken; zelfs interpretaties waar ik zelf nog niet eens aan gedacht had! Persoonlijk vind ik dat schitterend. Eén lezer vertelde me bijvoorbeeld dat het hele verhaal, zowel de realistische als de surreële lijn, verbeelding zijn van Emma, die afscheid neemt van het leven als zodanig.
Nu, de tweedeling in het verhaal komt eigenlijk voort uit een bedenking die ik had in verband met afscheid. “Afscheid” betekent namelijk niet voor iedereen hetzelfde, wanneer iemand sterft. Emma, bijvoorbeeld, moet afscheid nemen van het leven in zijn geheel, terwijl Tristan afscheid moet nemen van één iemand specifiek: Emma. In tegenstelling tot haar, moet hij het afscheid meenemen en dragen. Beiden hebben een (om nu met de woorden van Manu Keirse te spreken) verschillende “rouwtaak”.
Die twee perspectieven wilde ik, tegelijk, aan het woord laten in het boek. Tot ze zich, doorheen het verhaal, finaal verstrengelen in de maalstroom van de rouw zelf.
Geleidelijk aan weet je niet meer wie er aan het woord is, wat nu nog echt is en wat niet. Desondanks kan je het verhaal lezen als Tristan en Emma die, ondanks alle moeilijkheden, verbinding willen maken, een soort “verbonden verbeelding” creëren.
De titel is heel intrigerend. ‘ Voor altijd geleden.’ Op het eerste zicht zegt mij dat niets. Hoe ben je aan deze titel gekomen?
De inspiratie voor de titel kwam uit het muziekalbum ‘For Emma, Forever Ago’ van Bon Iver. Het is niet alleen een van mijn favoriete albums, maar ook van het hoofdpersonage in mijn boek, Emma. Dat kon ik niet laten, het is een eerbetoon!
Doorheen het boek komen er dan ook voortdurend lyrics uit het album voor.
Wat me voor de titel ‘ Voor altijd geleden’ deed kiezen, was de tijdloosheid die ervan uitgaat. Ook rouw zelf voelt soms “van de tijd ontheven.” Het verleden wordt een permanent stuk van het heden, omdat de herinneringen terug blijven komen. Maar ook omgekeerd kan de rouw zich vanuit het heden uitzaaien over het verleden. Ik vind dat de titel dit mooi uitdrukt.
Trouwens! Het woord ‘geleden’ kan je op twee verschillende manieren interpreteren :
in het verleden terug, maar ook als voltooid deelwoord van het werkwoord “lijden”.
Ook die double-entendre, die sommige lezers opgemerkt hebben, sprak me aan.
De thematiek is heel intens. Ik vraag me af in hoeverre het boek autobiografisch is, want schrijven over euthanasie en rouwverwerking is niet evident. Tristan lijdt aan tinnitus. De manier waarop je over deze ziekte schrijft, doet mij vermoeden dat jezelf aan tinnitus lijdt.
Gelukkig heb ik geen tinnitus, maar ik heb er natuurlijk wel opzoekwerk over gedaan.
Behalve door letsels kan tinnitus ook door stress of traumatische gebeurtenissen ontstaan. In het boek fungeert het als een “fantoom-ervaring”, die zo een metafoor wordt voor Emma, die ook steeds aanwezig is, ook al is ze er niet (meer).
Wat betreft het autobiografische in het boek: bij het beschrijven van Emma had ik wel degelijk een meisje in gedachten, dat ik persoonlijk ken. We hadden een intieme, maar geen amoureuze relatie. Bovendien had één van de dierbaarste personen in m’n leven longkanker; haar heb ik begeleid bij het sterven. Daarvan zijn zeker elementen in het boek terug te vinden. Desondanks had ik het boek al twaalf jaar voordien geschreven, toen ik ongeveer dezelfde leeftijd had als de personages.
De ironie is dat de surrealistische stukken in het boek voor mij de meest autobiografische zijn. Rond het midden van het boek belandt Tristan op een open zandplek en begint die plek zich volledig uit te rekken: hij zinkt volledig weg in de donkerte. Nu, op 26-jarige leeftijd heb ik zelf een zware depressie gehad. Om die episode van depressie te beschrijven had ik feitelijke, zakelijke termen kunnen gebruiken. Toch drukt dat, voor mij, de fundamentele verandering in je belevingswereld, die je ervaart tijdens zo’n depressie, niet uit. Je zit écht in een volstrekt andere wereld als je in een depressie zit. Voor rouw geldt natuurlijk hetzelfde. Als je die ervaring waarheidsgetrouw wil beschrijven, dan kan je, volgens mij, bijna niet anders dan het op deze hallucinogene en bevreemdende manier beschrijven.
In die zin zou ik zeggen dat het hele boek autobiografisch is, ondanks het feit dat het verhaal wel degelijk verzonnen is. Het is allemaal waargebeurd; het is gewoon niet letterlijk zo gebeurd. Het is hoe ik bepaalde fasen in mijn leven beleefd heb.
Hoe kan je het vriendengroepje omschrijven? Hoe zijn de verhoudingen tussen Tristan, Jelle, Thomas en Levi?
Hier ben ik geneigd een verborgen geheimpje van het boek weg te geven! De vriendengroep is met vijf personen (de vier jongens en Emma). Dat aantal is niet toevallig. Het boek is ook ingedeeld in vijf hoofdstukken, volgens de vijf stadia van rouw volgens Elisabeth Kübler-Ross: ontkenning, kwaadheid, onderhandelen, depressie en aanvaarding. Elk van de personages staat nu voor een van die rouwfasen. De dynamiek in de vriendengroep vertegenwoordigt, in feite, het hele rouwproces opnieuw. Tristans complex komt voort uit het feit dat hij, in het begin van het boek, in een verhaal van rouw zit, waarin net aanvaarding (Emma) ontbreekt.
Doorheen het verhaal probeert hij haar echter, door aanvaarding, terug te vinden.
Er komen veel verwijzingen naar andere boeken en muziek, waardoor ik de neiging krijg om alles op te zoeken. Heeft dit ook te maken met het feit dat je in een boekenwinkel werkt?
Dat ik in een boekhandel werk, en dat ik tegelijk boeken schrijf waarin ik voortdurend naar boeken verwijs, zie ik in feite als een manifestatie van eenzelfde neiging: ik praat gewoon dolgraag over boeken! Ik kan mezelf werkelijk niet tegenhouden.
Daarnaast ontstaat verbeelding natuurlijk nooit in een vacuüm. Al die boeken en muziekstukken waar ik naar verwijs, betekenen veel voor mij. En net zoals in de boekhandel wil ik niets liever dan aanprijzen wat mij zelf ten diepste ontroerd heeft.
Als mensen me vertellen dat ze een boek gelezen hebben; omdat ik er in een eigen boek naar verwijs, dan doet mij erg veel plezier. Dan is mijn missie geslaagd!
Jij hebt filosofie in Gent gestudeerd. Tijdens deze studies was je reeds gefascineerd door het ‘solipsisme’. Het was trouwens de titel van jouw thesis. Daarover schrijf je ook in het boek. Wat is dit?
Laten we beginnen bij de definitie: ‘Solipsisme’ is Latijn voor ‘ enkel ikzelf’. ‘Solus’ betekent ‘enkel’ en ipse ‘ikzelf’. Het vertrekpunt is dat wat je ervaart zich altijd in je eigen geest afspeelt. De zogenaamde “buitenwereld” kan je enkel waarnemen via je zintuigen. In feite heb je dus enkel maar je ervaringen van die buitenwereld, en dus geen directe toegang tot de buitenwereld zelf. Zoals Anaïs Nin zegt :‘We don’t see the world as it is, we see the world as we are.” Welnu, een solipsist beweert: we kunnen fundamenteel niet weten of er iets buiten onze eigen ervaringen is, of de wereld en andere mensen echt bestaan. Want ook de inhoud van andermans geest blijft eeuwig voor ons verborgen, we kennen enkel ons eigen hoofd.
In wezen impliceert solipsisme dus een fundamentele existentiële eenzaamheid. In het boek citeer ik Sylvia Plath, met het gedicht Mad Girl’s Love Song: ‘ I close my eyes and all the world drops dead’ Dat is, in feite, solipsism pur sang. Het verwoordt ook de gedachte waar Emma mee worstelt: als je enkel maar je eigen wereld kent, verdwijnt die wereld dan ook onherroepelijk bij de dood? Haar eigen dood?
In het boek wilde ik solipsisme als thema gebruiken, om de vraag te stellen: kan je, ondanks afscheid, ondanks de dood, ondanks de wereld die instort door verdriet, toch nog een wereld delen? Ik hoop dat ik een overtuigende “ja” heb kunnen formuleren.
Emma is het meisje dat leest. Wat zoekt ze daarin? De horror? De relatie met haar vader? Verdrukt ze haar pijn met fantasie?
Tristan vraagt in het boek ook letterlijk of Emma haar pijn niet verdrukt met fantasie!
Toch ze spreekt hem daarin tegen. Emma’s verhouding tot horror komt voort uit haar levensfilosofie, die er een is van “schoonheid in geschondenheid.” Dat is één van de subtiele filosofische lijnen die ik in het boek heb willen verwerken.
Er is sowieso iets verschrikkelijks gebeurd in Emma’s jeugd, met haar vader, waarover ze niet wil praten. Ze gunt haar vader en haar trauma geen plek in haar verhaal; ze laat beide vallen. Desondanks heeft ze het, heel het boek lang, moeilijk om zichzelf te
aanvaarden. Het verhaal gaat dan ook niet alleen over de aanvaarding van haar ziekte, maar ook over zelfaanvaarding. Emma beschouwt zichzelf als “geschonden” (dat woord gebruikt ze), maar toch wil ze een vorm van zelfliefde omarmen. De vraag wordt dan: kan je schoonheid vinden in geschondenheid?
In de horrorverhalen die Emma leest, vindt ze een soort van testgrond, waarin ze zichzelf op een veilige manier kan blootstellen aan gruwelijke situaties. Op haar eigen tempo, op haar eigen manier, om er geleidelijk de schoonheid van in te zien. Want wie zal zeggen dat Edgar Allan Poe, bijvoorbeeld, niet prachtig geschreven is? Ze maakt het donker voor zichzelf, om haar ogen gevoeliger te maken voor het licht.
Volgens mij spelen de treurwilgen een belangrijke rol. Wat vertolken ze?
De Zone in de Zandbergen drukt op allerlei manieren de gevoelens van de personages uit. Desondanks staan er in ’t echt geen treurwilgen in de Zandbergen! Toen ik besloot dat het boek een verhaal over rouw zou worden, leek het me echter een poëtisch idee om het hele bos, aldaar, te laten overwoekeren door treurwilgen.
Een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor mij, en ook het favoriete boek van Emma, is ‘The Willows’ van Algernon Blackwood. Dat is een verhaal van twee kanovaarders die op een eiland vol treurwilgen terechtkomen. Ze verschuiven en fluisteren, waardoor de lezer zich begint af te vragen of dit nu echt is of niet.
Het genre van dit boek is “weird fiction” of “cosmic horror”. Eind-negentiende eeuw ging horror vooral over spoken en geesten en huizen met klapperende deuren. Blackwood heeft dit op een soort kosmische schaal verheven. In de kosmos spelen immense krachten, zo overweldigend dat de mens dat niet kan begrijpen en zich ook niets kan voorstellen. De meest ijzingwekkende zin in dat verhaal is voor mij dan ook: ‘Laten we ons stil houden; misschien kan onze onbeduidendheid ons redden.’
In mijn verhaal wil ik aanstippen dat wat voor de kosmos geldt ook zo is voor gevoelens. Ik lees veel over evolutionaire psychologie en biologie. Emoties zijn miljoenen jaren geleden ontstaan, bij zeedieren en reptielen. Emoties zijn niet geëvolueerd met de mens in het vooruitzicht. Pas later hebben ze zich verstrengeld met ons geheugen, met complexe en paradoxale gevoelens tot gevolg. In die zin zijn ook emoties enorme krachten waaraan we aan overgeleverd zijn. Ga er maar eens mee om als mens! Dat geldt zeker in het geval van rouw. Ook rouw zelf is een enorme, vreemde ruimte, waarin de mens zijn weg moet vinden. Die vreemdheid wilde ik, net zoals Blackwood, tonen, door treurwilgen emoties te laten vertolken.
Het boek is ingedeeld in vijf hoofdstukken, die elk benoemd zijn naar de vijf fasen van rouwverwerking bij Elisabeth Kübler- Ross. Ontkenning, kwaadheid, onderhandelen, depressie en aanvaarding. Je voegt er nog een zesde fase bij : zingeving. Kan je dit even uitleggen?
Dat is geen toevoeging van mezelf, maar van David Kessler, een medewerker van Kübler-Ross. Al sinds het prille ontstaan van ‘Voor Altijd Geleden’, vormden haar 5 fasen van rouw het raamwerk van het verhaal. Tegelijk werd ik mij, doorheen de jaren, bewust van de kritieken op de theorie van Kübler-Ross. Zonder er een al te academische discussie van te maken, heb ik geprobeerd om ook die in mijn verhaal te integreren. De reden waarom ik uiteindelijk toch Kübler-Ross in het verhaal gelaten heb, is omdat die 5 fasen, in Emma’s ogen, de “vorm” van een verhaal hebben; een verhaal, waarmee ze haar eigen rouw kan ordenen. “Maar als het verhaal niet werkt voor jou,” zegt haar psychiater, “dan kiezen we een ander verhaal, toch?”
Daar komt het uiteindelijk op neer, denk ik. “Welk verhaal moet je kiezen?” vraagt ook Tristan zich af. “Het verhaal dat je helpt overleven, allicht.” Rouwtaken noch vijf fasen van rouw noch procestheorieën kunnen je helpen, als je geen overkoepelend verhaal vindt dat alle gebeurtenissen met elkaar verbindt en er betekenis aan verleent.
Ik heb de indruk dat jouw boek veel gelezen wordt, want het is telkens gereserveerd in de bibliotheek. Wie had jij als lezer van je boek in gedachten? In het begin had ik de indruk dat het een boek voor young adults was. Maar hoe verder ik las, hoe minder ik ervan overtuigd was.
Mijn persoonlijke schrijffilosofie is dat je als schrijver vooral hoort te luisteren naar het verhaal zélf, en de noden van het verhaal: los van een doelgroep, zelfs los van je eigen individuele voorkeuren. In ‘Voor Altijd Geleden’ is een timide gast van 19 jaar aan het woord, die bovendien een zwaar trauma heeft. Hoog literaire zinnen zouden daarbij niet gepast geweest zijn, hoe graag ik die zelf ook schrijf! Ik heb geprobeerd zo eenvoudig mogelijk te schrijven, eigenlijk zoals een 19-jarige introverte jongen spreekt. Daardoor lijkt het boek misschien afgestemd op young adults, maar het beginpunt was wel degelijk een filosofische vraagstelling. Intussen werd het boek trouwens ook door een ouder, meer literair onderlegd publiek gelezen. Tot mijn plezier halen ook zij veel uit het boek! Literair, filosofisch, maar ook over rouw en troost op volwassen leeftijd. Ik geloof dus oprecht dat het een boek voor alle leeftijden is.
Waarom heb je dit boek geschreven?
Het achterliggende “waarom” is voor mij ook een groot mysterie. Ik schrijf bijvoorbeeld niet uit therapeutische overwegingen, om zelf iets te verwerken.
Ik kan wel beantwoorden wannéér ik iets schrijf. Ik schrijf wanneer een bepaalde gedachte, hoe klein ook, mij zodanig ontroert dat ik tranen in mijn ogen krijg. Zo simpel is het. Dat wordt dan de basis van het boek. Als ik na verloop van tijd merk dat die gedachte me niet meer loslaat, dan sla ik gewoon aan het schrijven. Dan kan ik zelfs niet anders! Het wordt een kwestie van moeten; elk “waarom” verdwijnt.
Hoe lang heb je aan het boek geschreven?
De eerste versie van het verhaal schreef ik toen ik de leeftijd had van de personages.
Dat is intussen zo’n twaalf jaar geleden. Die versie heb ik in een paar weken tijd geschreven, maar in de jaren erna heb ik er nog verder aan gewerkt. Ik geloof dat het zo’n drie verschillende versies heeft gekend. Onderweg heb ik trouwens nog een achttal andere manuscripten opgestapeld. Om Paul Valéry te citeren: een verhaal is eigenlijk nooit af, het wordt gewoon op een bepaald moment door de auteur verlaten.
Was dit debuut een eenmalig werk, of ben je al bezig met een tweede?
Het is zéker niet eenmalig! Ik ben al volop bezig met het volgende boek; eveneens een herwerking uit die stapel manuscripten van de afgelopen jaren. Het volgende boek gaat evenwel over iets totaal anders, zowel qua schrijfstijl als thematiek. Het gaat over een maatschappij die probeert carte blanche te maken en haar eigen collectieve geschiedenis verbergt met digitale middelen. Tot plots een groepje jongeren op die verborgen geschiedenis stoot… Tegelijk wordt het een verkenning van persoonlijke geschiedenissen: over een “oude ziel” in een jong lichaam zijn, of net een “jonge ziel” in een oud lichaam. Nu, de thematiek vergt veel opzoekwerk, dus het zal wel nog eventjes duren. Hopelijk komt het ergens volgend jaar uit!
Hartelijk dank Stephan voor het boeiende gesprek. Ik ben blij dat na 12 jaar zoeken een uitgeverij de moed vond om jouw boek te publiceren, want dit verdient alleszins een plaatsje in de Nederlandstalige literatuur.
Christel Van Renterghem
Portretfoto Stephan: cop. Eva Decock.