Paarse Zetel met Rob van Essen

5 januari 2026

De Paarse Zetel 2025 werd afgesloten met Rob van Essen, tweevoudig laureaat van de Libris Literatuur Prijs (2019 en 2024). Redacteur Jan Matthys was aanwezig en schreef volgend verslag.

Van Essen is een laatbloeier, die pas op zijn 55ste, na 20 jaar schrijverschap, voluit in de schijnwerpers trad. Wanneer hij stelt dat “schrijven het masochistisch beroep bij uitstek is” zal die late erkenning daar voor een stuk ook door zijn ingegeven.

Hij groeide op in Nederland, in de zogenaamde zwartekousengemeenschap, en die ervaring werkt door in de meeste van zijn boeken. Zijn ouders waren eerst lid, traden uit om te trouwen, kregen in hun “goddeloze jaren” vier kinderen en traden vervolgens opnieuw in. Rob zelf viel vrij snel van zijn geloof – onder meer dank zij de bibliotheek waar hij boeken kon lezen die flagrant niet spoorden met de letterlijke bijbelinterpretatie van de gemeenschap.

Zijn vader was ook schrijver, zij het zonder veel succes, al is één van zijn kinderboeken al 50 jaar ononderbroken in druk. Maar het succes van Rob heeft wel altijd een beetje gewrongen.

Schrijven werd een soort reddingsboei voor Rob, al had ook hij aanvankelijk weinig succes. Maar volgens hem heeft dat juist bijgedragen tot zijn vorming als schrijver. Ook het feit dat hij niet, zoals de meeste van zijn collega’s, Nederlands heeft gestudeerd zorgde voor een ruimere blik.

Visser (2008) werd een voorzichtige doorbraak in Nederland. Het is een strak verhaal met een maatschappelijke inslag, geïnspireerd door John Updike. Maar waar het boek toen het uitkwam nauwelijks reacties uitlokte over de nare dingen die het hoofdpersonage uitspookte, was dat tien jaar later helemaal anders, bij de herdruk naar aanleiding van Robs eerste Libris prijs, een illustratie van het feit dat de samenleving in enkele jaren toch sterk geëvolueerd is.

Het jaar waarin mijn vader stierf (2006) begon als een verzameling korte stukjes, die, op aandringen van Robs redacteur, herwerkt werden tot een boek.

Met De goede zoon (2018) zag een nieuw genre het daglicht – autobiografische sciencefiction. Het autobiografisch element is in dit geval het overlijden van zijn moeder, de directe aanleiding voor het boek. Dat werd gaandeweg gecombineerd met een nieuw personage, een zelfrijdende en pratende auto, waarvoor hij de inspiratie haalde bij te televisieserie Knight Rider.

Rob van Essen houdt van verhalen. In 2015 kreeg hij trouwens de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de bundel Hier wonen ook mensen. Een verhaal is een gaaf afgerond geheel, zonder al de uitweidingen die nodig zijn in een roman. Bijkomend voordeel is dat je het probleemloos kan weggooien als het om een of andere reden niet lukt.

De ideale hoofdfiguur is voor hem bij uitstek een niet-actief persoon, omdat die zich per definitie gemakkelijk laat meeslepen.

Door de covid-situatie werd Miniapolis (2021) het eerste boek dat hij niet in Amsterdam maar in Brussel schreef. Toen bleek dat hij, die 40 jaar in Amsterdam had gewoond, er plotseling zijn plaats niet langer vond – hij gedroeg er zich niet langer als een bewoner, met een vast ankerpunt, maar als een toerist. Rob is gefascineerd door de manier waarop de wereld rondom hem verandert, iets wat hij al fietsend in zich opneemt en verwerkt. Zo werd Miniapolis het “ultieme fietsboek”.

Rob schreef vroeger al gedichten, deed dat toen een hele tijd niet meer, maar kreeg respons toen hij er af en toe eentje op Facebook zette. Wat resulteerde in een dichtbundel Alleen de warme dagen waren echt (2022). Het zijn toegankelijke, prozaïsche gedichten met een onverwachte twist.

In maart verschijnt De grote schoonmaak, geïnspireerd door Robs eigen ervaringen in een supermarkt in Wageningen. Zoals we kunnen verwachten gebeurt daar iets absurds, wat bepalend zal zijn voor de rest van het verhaal / van het leven.

Als afsluiter las Rob de beginpagina’s van Miniapolis.

Jan Matthys
Foto Christophe Vander Eecken