Tristesse getemperd door intimiteit. Moeder en dochter Arns stellen hun gezamenlijke dichtbundel voor

2 juni 2021

Op zondag 30 mei stelden Astrid en Jana Arns – moeder en dochter – in het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg hun duo-dichtbundel In welke vrouw ik leef voor. Door de gekende omstandigheden moest dat in beperkte kring gebeuren, dus organiseerden de beide dames in samenwerking met Uitgeverij P verschillende voorstellingsmomenten. Stadslezer en redacteur Christophe Madelein had zich aangemeld voor de laatste van de dag, om 20u.

Het Groot Begijnhof is uiteraard een prachtige setting – het wordt op deze site ook aangeraden als leesplek. Ik was een beetje te vroeg en kon dus eventjes ronddwalen in de kleine (en op dat moment nog zonovergoten) straatjes en steegjes. De voorstelling was in een kleine binnentuin, waardoor meteen al een intieme sfeer ontstond. Misschien doordat dit niet de eerste voorstelling van de dag was, was er geen spoor van zenuwen bij de dichteressen of de entourage: het ging er gemoedelijk aan toe.

Na een paar inleidende woorden volgde er een eerste muzikaal intermezzo met Sara Salvérius. Normaal gezien huivert ondergetekende van accordeonmuziek – een zeldzame uitzondering niet te na gesproken – maar wat Sara Salvérius brengt heeft niets te maken met de walsen, polka’s en andere Oostenrijkse hoempapa-deuntjes waar mijn grootvader gek op was. Sara Salvérius speelt vol overgave composities die vaak erg melancholisch klinken, maar even vaak intens dramatisch worden.

De toon was gezet. Jana Arns vertelde dat het idee van een gezamenlijke bundel eigenlijk gegroeid was uit het gevoel ‘vast te zitten’ dat beiden tegelijkertijd hadden – beide dichteressen hebben elk afzonderlijk al bundels gepubliceerd (en daarvoor prijzen mogen ontvangen). Ze besloten elkaar gedichten toe te sturen, en op elkaars werk te reageren. Zo werkt het ook in de bundel: Astrids gedichten (in cursief) en Jana’s (in romein) staan naast en door elkaar. Astrids eerste partner – Jana’s vader – overleed toen Jana nog een kleuter was, en de verschillende ervaring van dat gemis bleek een centraal thema te zijn.

Het is duidelijk: dit zijn geen vrolijke, lichte gedichtjes – dat wordt overigens al gesuggereerd door de mooie maar raadselachtige afbeelding van Maarten Marchau op de kaft. In In welke vrouw ik leef worden de gedichten afgewisseld met flarden van het e-mailverkeer tussen moeder en dochter, waardoor de zware, melancholische toon doorbroken wordt met alledaagse berichtjes ('Vandaag een nieuwe koffiezet gekocht') en zelfrelativering ('Dit wordt toch echt een olijke bundel he!').

Tijdens de voorstelling werd de zware sfeer getemperd door de warmte die beiden uitstraalden: het verdriet dat uitgedrukt wordt in de gedichten heeft na al die jaren een plaats gekregen. Een mooi moment was toen Jana een gedicht opdroeg aan Astrids huidige partner, met een kwinkslag: 'mijn tweede vader, die dus wel nog leeft' – de man zat op de tweede rij te grinniken: vermoedelijk een toespeling op een opmerking bij één van de eerdere voorstellingsmomenten.

De gedichten zelf dan. De gedichten die voorgelezen werden waren vrij toegankelijk – de dichteressen hadden duidelijk rekening gehouden met het feit dat ze voorlazen voor een publiek dat de gedichten voor het eerst hoorde. In de bundel staan ook gedichten die een tweede lezing vragen. Vaak blijkt dat ook de toegankelijke gedichten een extra dimensie krijgen bij herlezing. Een beeld dat bij een eerste lezing (of bij het horen ervan tijdens een voordracht) verrassend opduikt, en soms zelfs een glimlach oproept, blijkt dan bij nader inzien het gedicht een wending te geven die niet radicaal anders, maar wel verdiepend werkt. Dat geldt voor beide dichters trouwens. Ze delen ook een zekere tristesse, zoals Jana Arns in een gedicht stelt: 'Het is genetisch dat wij in sombere hoofden huizen.'

Er zijn ook verschillen natuurlijk. Bij de voorstelling kwam Astrid Arns wat meer teruggetrokken over dan haar dochter, die met een meer onbevangen blik het publiek begroette. Maar dat was maar mijn indruk, natuurlijk. Toch lijkt die indruk bevestigd te worden in de gedichten. De gedichten van Astrid lijken meer van een herinnering, een sfeer uit te gaan ('Tussen de spleten van een zwart gordijn / zie ik waar het licht nog schijnt / en raap mijn tranen op'); die van Jana vertrekken eerder vanuit concrete, hedendaagse waarnemingen en beelden ('Op Tinder match ik met een psychiater. / Hij schrijft mij zijn telefoonnummer voor.'). De twee vullen elkaar aan, en dankzij die complementariteit werkt de duobundel ook als één geheel.

Beiden lazen een aantal eigen gedichten voor, elkaar afwisselend – in de aankondiging stond: ‘Voordracht: A2’ – met af en toe een kort muzikaal intermezzo door Sara Salvérius. Op het eind las elk ook een gedicht van de ander, waardoor de samenhang benadrukt werd. Het slotwoord was voor uitgever Leo Peeraer (meneer P zelf dus). Hij beklemtoonde het unieke karakter van een duo-dichtbundel, en bood de beide dichters het ‘eerste exemplaar’ aan – het feit dat er twee ‘eerste exemplaren’ waren en dat die voor de vierde keer die dag overhandigd werden, werd met de glimlach erkend: zoals gezegd, de sfeer was ongedwongen. Tot slot werd nog betreurd dat de coronamaatregelen een drink achteraf onmogelijk maakte. Ik begreep de allusie pas toen ik de bundel doornam: de laatste tekst is een mailtje van Jana aan Astrid, waarin ze blij de eerste versie van de volledige bundel aankondigt; de mail sluit af met: 'P.S. Wit wijntje?' Het tekent de sfeer ook van de voorstelling: melancholisch en bij momenten behoorlijk intens emotioneel, maar ook gemoedelijk, intiem, en rustig (zonder berusting weliswaar). Het witte wijntje heb ik dan maar thuis gedronken, terwijl ik de bundel doorbladerde.

Astrid & Jana Arns, In welke vrouw ik leef, Leuven, Uitgeverij P, 2021, 72 p.

Christophe Madelein