Auteursgesprek met Lieselot Mariën

26 mei 2026

Moderator: Anneleen Van Offel
Datum: 20 mei 2026
Organisator: Creatief Schrijven vzw
Locatie: Bibliotheek De Krook Miriam Makebaplein 1, Gent

Op 20 mei 2026 ging schrijfster en podcastmaker Anneleen Van Offel in gesprek met Lieselot Mariën, alumnus van de schrijversacademie, over haar indrukwekkende roman ‘Als de dieren’.

Het boek, dat door Van Offel wordt omschreven als een uiterst filmisch werk dat bij haar een hardnekkige readers block veroorzaakte omdat andere literatuur er nadien bleek bij afstak, snijdt een even universeel als delicaat thema aan: het moederschap in zijn meest rauwe, ontregelde vorm.

Hoewel critici en lezers de roman onvermijdelijk labelen met de term 'postpartum depressie', legt Mariën uit dat dit een bewuste omissie is op de achterflap en in het boek zelf. Voor haar dekt een klinische, pathologiserende term de lading niet. Door de ervaring te reduceren tot een medisch defect, verliest het verhaal zijn zeggingskracht over het 'normale' moederschap. Mariën wilde de existentiële ervaring van een vrouw die de verbinding met haar kind, zichzelf en de werkelijkheid verliest, in haar volle complexiteit onderzoeken. Het is een poëtische zoektocht naar taal voor een ervaring die zich fundamenteel tegen taal verzet.

De weigering om het boek te marketen als een puur klinisch dossier bleek een schot in de roos. Hoewel de uitgeverij Das Mag aanvankelijk vreesde dat een abstracte achterflap de oplage zou beperken, trok het boek juist een breed publiek aan. Lezers die geen enkele affiniteit hebben met het moederschap of postnatale depressies herkennen de universele reis door de duisternis. Het boek raakt aan een dieper menselijk isolement en de moeizame reconstructie van de eigen identiteit na een ingrijpende breuk.

De meest opvallende eigenschap van Als de dieren is zijn vormgeving. De pagina’s zijn opgedeeld in kolommen, een vormkeuze die direct voortvloeit uit het vertelperspectief en de psychologische staat van het hoofdpersonage. Het boek opent met een bevreemdende scène: een vrouw staat op de drempel van haar eigen huis en ziet binnen een andere vrouw die haar kleren draagt, haar baby troost en feilloos de weg weet. Terwijl de indringer de moederrol moeiteloos op zich neemt, draait de toeschouwer zich om en vertrekt.

Deze splitsing vormt de blauwdruk voor de kolommen in de roman:

De linkerkolom (die vaak leeg blijft of ontbreekt) vertegenwoordigt het perspectief van de vrouw die in staat is de moeder te zijn die het kind nodig heeft.

De rechterkolom herbergt de stem van de vrouw die is vertrokken; zij die vanaf de zijlijn toekijkt, tracht te begrijpen wat er is gebeurd en de scherven in woorden probeert te vatten.

Volledige pagina’s tonen het perspectief in de tegenwoordige tijd daterend van vóór de psychologische splitsing.

Mariën onthuld dat deze vorm niet vooraf was gepland, maar ontstond tijdens een schrijfweekend met haar collectief van de Schrijversacademie. Ze worstelde met de angst dat de psychologische ontkoppeling te abstract of theoretisch zou worden. Pas toen ze de tekst letterlijk in twee kolommen naast elkaar op papier zette – waarin de vrouw op een veldweg naast zichzelf gaat zitten – viel alles op zijn plek.

In de beginfase van het schrijven verzamelde Mariën een enorme berg fragmentarisch materiaal. Ze wist dat een coherent, lineair narratief de desoriënterende ervaring van het hoofdpersonage geweld zou aandoen. Toch raakte ze op een gegeven moment vast op deze ‘berg klei’. De tekst miste spanning en las eerder als een onsamenhangende dichtbundel dan als een roman.

De redding kwam in de vorm van de Mesopotamische mythe van Inanna, de machtige godin van de liefde, vruchtbaarheid en oorlog die afdaalt naar de onderwereld. Bij elk van de zeven poorten die zij passeert, dwingt de poortwachter haar een symbool van haar macht af te staan, tot ze naakt en ontdaan van haar krachten de onderwereld betreedt.

Mariën adopteerde deze structuur als kapstok voor haar roman. Ze definieerde voor zichzelf wat haar hoofdpersonage bij elke ‘poort’ verloor en modelleerde haar fragmenten rondom deze opeenvolgende stadia van verlies. De grijze pagina’s in het boek fungeren als visuele overgangszones en markeren zo de nadering en de passage van een poort, een drempel naar een dieper niveau van de onderwereld.

Hoewel de roman onmiskenbaar put uit haar eigen ervaringen als jonge moeder, benadrukt ze dat het werk fictie is. Het schrijven zelf ervoer ze niet als een loodzwaar therapeutisch proces, maar eerder als een ambachtelijke en technische uitdaging. De focus op de ‘klei’ – de taal, het ritme en de structuur – bood de nodige esthetische afstand. Ze schreef vaak met een repetitieve Spotify-playlist of na het lezen van poëzie van Peter Verhelst om in de juiste cadans te komen.

De werkelijke emotionele uitdaging lag niet in het schrijven, maar in de publicatie. Het ‘ownen’ van een compromisloos, duister boek over het moederschap bracht klamme handen met zich mee, zeker met het oog op haar eigen gezin en zoon. Toch staat ze onvoorwaardelijk achter het resultaat. Voor haar is de radicale eerlijkheid van het boek juist de ultieme vorm van oprechtheid en liefde. Het boek kan ook als ‘feministisch’ worden omschreven.

Mariën heeft de navelstreng met haar debuut inmiddels doorgeknipt en omarmt de reacties van lezers die zich het verhaal toe-eigenen.

Wat de toekomst betreft, bevindt Mariën zich inmiddels in het ‘prille enthousiasme’ van een nieuw project. Hoewel ze nog weinig details wil prijsgeven omdat het project nog niet volgroeid is, geeft ze aan dat dit nieuwe werk waarschijnlijk minder ‘dicht op de huid’ zal zitten. Het zal meer stoelen op een puur fictief plan, wat haar als schrijver meer ademruimte en creatieve vrijheid biedt.

Ria Martens

Foto cop. Ria Martens