Boekvoorstelling Erosie (Astrid Haerens) in Boekhandel Limerick op 12 mei
Op 12 mei trok redacteur Lut naar de andere kant van de stad om er de boekvoorstelling van Astrid Haerens’ “Erosie” bij te wonen. Na wat verloren lopen in de verbouwingen aan het Sint-Pietersstation was ik toch nog net op tijd om een stoeltje te bemachtigen in een helemaal volgelopen boekenwinkel.
Na een welkomstwoordje door Brecht Hortensius kon Marnix Verplancke aan de slag als interviewer van dienst.
Het interview werd in drie stukjes opgedeeld waarin Astrid telkens inleidde door een stukje uit haar boek voor te lezen. Ik heb er voor gekozen de fragmenten mee weer te geven, en het interview af en toe te onderbreken met mijn eigen bedenkingen van dat moment.
Ik zal het alvast verklappen zodat u zeker verder leest: “Erosie” verdient een groot publiek! Het is een boek dat op meerdere vlakken bakens verzet in de literatuur!
Een boek waarvan de eerste zin luidt: “hoe word je een steen”.
Astrid leest voor:
“hoe word je een steen
waar het licht beslist te vallen (cirkel traag, dier)
waar mossen groeien andere stenen
wankelend net niet rollen en met velen tegelijk
(determineer een plek)
OO OO
je rug steeds lager bukken zitten liggen
je schouderbladen uitgevlakt
bolletje je buik waarin zacht gepord
waardoor je niet meer hoeft te ademen
waardoor eindelijk en zo stil
een omgeving om je heen gaat liggen
(hou je in)
OO OO O
denk niet na wanneer het regent
wanneer de wind doet beven
krakend zorgen baart externe krachten
de armen van orkanen het geweld
(blijf onbezorgd)
OO O. °°… ..O. O°.
wormen zullen nesten maken
wier zal je toedekken
water zal water zijn
Het is niet dat ik hier zwijg, Alma.
Ook al heb ik dagen niemand meer gesproken – in mijn hoofd spreek ik wel, voortdurend, tegen mezelf, tegen jou.
Wanneer ik op dit oneindige strand loop, barst ik soms in zingen uit. Het overkomt me gewoon. Mijn eigen stem doet me schrikken, het stelt me gerust – dat ik nog steeds helemaal in leven ben – weet je, het is hier diep-diep ademen, ik zing hier luidkeels voor de zee
heeeeyoheeee
en kijk daarna om me heen, bang dat iemand me bespiedt.
Kijk me niet aan, ksjjj, ga weg, kijk toch niet zo, stop daarmee.
Nee, het is niet dat ik hier zwijg.
Maar op deze stranden is niemand meer.
Vraag me niet hoe ik hier terecht ben gekomen – ik staarde naar een kaart en zocht de kleinste plaats, zonder vluchtwegen, zonder ruis, een plek met randen, waar niemand me kent, waar ik ver kon kijken. Ik stapte op de veerboot, tussen een troepje mensen met goede schoenen, goede sokken, goede shorts, witte petten, een dun laagje haar. Toen we vertrokken, klonk uit de boxen op het dek Forever Young van Alphaville.
°O
Blauwe haarkwallen. Mossels. Mossels. Nog meer mossels. Acht krabben binnen drie meter. Flamingoroze vlees, ik raap ze op en zet ze weer neer, het water spoelt over hen heen, zie ze spartelen.
°
Weet je nog hoe we spraken over hoe je soms iets maakt, iets van betekenis, en je je nadien helemaal niet meer herinnert hoe je zo ver bent gekomen, hoe je het hebt gedaan? Zo kwam ik hier terecht – nee nee nee ik maak hier niets meer, niets van betekenis. Maar sinds jij besloot te verdwijnen je af te scheuren me uit te wissen welk werkwoord moet ik in godsgods
Heeeeyoheeee sinds jij dit besloot, Alma, heb ik hier vaak last van. Ik kom op plekken, ik doe dingen, maar kan me niet meer herinneren hoe ik er ben geraakt, hoe ik het precies heb gedaan, waarom bevind je je nu hier, waarom heb je dit nu in je handen, waarom deze persoon waarom zonder jou.
°O
Ik vertelde de arts over mijn dromen. Ik vertelde de arts over mijn wakkere uren. Ik vertelde haar over het moeten liggen in het gras, soms urenlang. Ik vertelde haar over het bonken, het overspoelen, het hoge ademen. Ik vertelde haar, de overdagtijd gaat niet meer uit sluiterstand. De arts duwde op mijn diafragma. Ze zei dat ik overzicht moest bewaren.
.°Oo
Het is niet dat ik hier zwijg. Ik denk en schrijf, elke dag. Niet enkel nee niet enkel in het zand maar – is dit wel een verhaal dat ik wil bewaren? Alma? Is dit wel van mij, is dit wel ons verhaal?
OO.. einde eerste fragment ..OO
De opvallende O op de cover van Erosie, de eindeloos en ook hopeloos lijkende zoektocht naar barnsteen op het eiland, de vormelijke spelletjes met de letter O op de pagina’s van het boek, het strandjutten, de verzameling stenen van Helle maar ook van Hetty, … stenen zijn beslist ook een personage in het boek, net als het landschap van het geïsoleerde Waddeneiland waar Helle heentrekt om te rouwen. Zwerfkeien, wensstenen, de rozenkwarts (symbool van eeuwigdurende vriendschap) en natuurlijk de barnsteen, die eigenlijk geen steen is maar “fossiele hars, bewaard eeuwenoud vuur”!
Maar interviewer Marnix duikt direct in de relatie tussen de twee vrouwen, Helle en Alma. En waarom Astrid ervoor koos een boek te schrijven over een afgebroken vriendschapsrelatie.
De auteur vertelt dat het voor haar een taboe lijkt waar nog heel weinig over is geschreven terwijl ze er van overtuigd is dat vrijwel iedereen het al eens meemaakte. Niet iedereen zal zoals Helle ervoor kiezen om een dergelijke ervaring eraf te gaan “jutten” op een Waddeneiland, vraagt Marnix zich af. En, of het éne dan nog wel opweegt tegen het andere. Ga je na zo’n pijn nog nieuwe vriendschappen aan?
Ja, zeker wel, hoop ik, zegt Astrid. Die boodschap wil ze alvast niet geven. De roman zoomt in op die paar intense maanden waar er zoveel pijn en verdriet is, maar tegelijk ook heel veel herinnering, en hoewel het terug kijken vaak met gemengde gevoelens gebeurt, is er zeker sprake van veel warmte, zelfs van tederheid.
Marnix vraagt zich, als man, af of dergelijke complexe vriendschappen ook bij mannen voorkomen. Als Astrid de vraag, uiteraard, terugspeelt, geeft hij aan dat hij denkt dat het taboe op vriendschappen die ook duidelijk heel fysiek zijn bij mannen toch nog groter is dan bij vrouwen. Maar ook zegt hij dat hij tijdens het lezen van het boek wel steeds het gevoel had dat één van beide vrouwen een stap verder ging gaan in de relatie. Dat er minstens gezoend zou worden, dat er sprake zou zijn van meer dan vriendschap.
Astrid geeft aan dat dit een duidelijke keuze was om een verhaal over vriendschap te schrijven, hoewel een heel fysieke vriendschap, toch één met duidelijke grenzen, en zonder exclusiviteit. Had ze die keuze verlaten, was dit een ander verhaal, een ander boek geworden. Ook het perspectief, voorbehouden aan Helle en haar alleen, is een keuze die daarbij aansluit. Zo ontstaat er geen discussie over wat er precies de oorzaak van de scheiding was, wie gelijk had of wie de meeste sympathie opwekte. We kijken de hele tijd door de ogen van Helle.
Marnix ziet het de laatste tijd wel vaker gebeuren, schrijfsters die schrijven over emoties, romans waarin autofictie en fictie zich vermengen. “Is het een hype of meer een dingetje?”, vraagt hij en hoe moeten we daarnaar kijken.
Astrid zegt dat ze niet alleen blij is met de stijging van het aantal vrouwelijke auteurs, maar ook dat daardoor iets verandert in de aard van de literatuur. Ze wijst er ook op dat zij zelf experimenteert buiten de lijnen van haar opleiding. Ze vernoemt “De lach van Medusa”, het bekende feministische essay van Hélène Cixous, dat pleit voor een schrijfstijl “zoals de zee”, vloeiend, zonder dammen, vrouwelijk.
Ook vertelt ze dat ze tijdens het schrijven van “Erosie” regelmatig luidop las wat ze schreef, om ook het ritme in de taal te laten sporen met de inhoud ervan. (spoiler: in de roman zitten daar werkelijk prachtige voorbeelden van!)
Het is tijd voor een tweede fragment. Astrid leest een brief aan Alma voor.
“…OOOO°°°°°°°°oo..° heeeeyoooo
Lieve Alma,
Eet je nog steeds geen nachtschades? Hoe zit je haar, lang, dik, gekruld? Heb je het nog eens geknipt en moest je daarna huilen? Welke kleren draag je nu? Slaap je nog steeds enkel in satijn? Heb je nog hetzelfde beddengoed? Strijk je het helemaal voor je je bed ermee dekt? Slaap je nog steeds op dezelfde matras, dat te zacht was voor mijn rug, maar perfect voor de jouwe? Drink je nog steeds grote mokken slappe koffie? Denk je nog aan mij? Wat denk je dan? Hoe denk je dan? In taal of in beelden of in gevoel? Weet je nog hoe mijn stem klinkt? Kom ik je onverwacht storen? Maak je tijd vrij om aan me te denken? Denk je aan mijn gezicht of aan mijn lichaam? Denk je aan me als je je voortbeweegt, op de fiets, in de trein, in de auto? Lijk je me soms te zien op straat? Vind je dat vervelend? Schud je me af wanneer je aan me denkt? Wat doe je dan? Krijg je soms een rilling over je rug? Hoe voelt je borstkas? Hoe voelen je schouders? Voel je je lichter? Gespierder? Denk je aan me wanneer je de kasten leegmaakt? De kruimels uit je besteklade opzuigt? De plinten afstoft, de ramen wast, de tapijten uitklopt, onder het bed stofzuigt? Groenten snijdt? Op je knieën het bad schrobt? De wastafel afspoelt, met een natte doek over je shampooflessen gaat, de spiegel vochtig maakt en met een kleine trekker droog maakt, oud krantenpapier oppropt en de laatste lijnen op het glas droogwrijft? De koelkast sorteert, slappe restjes groente weggooit? De lege flessen verzamelt? Denk je aan me wanneer je de gaten in je sokken stopt, met een mesje de pluisjes van je wintermantel haalt, de gang dweilt, het fornuis schoonmaakt, gedragen kleren opraapt, eraan ruikt, in de wasmand gooit, ze opvouwt, in de kast legt, de wasmachine laat draaien, het wasrek openklapt op een terras, de natte naar lavendel geurende sokken onderbroeken handdoeken jeans T-shirts bh’s leggings truien handdoeken ophangt de kamerplanten verpot hun bladeren afstoft en er wat water op verstuift de tulpen in een vaas op je keukentafel je post sorteert het oud papier samenbindt je nagels vijlt lakt handcrème smeert een boodschappenlijstje schrijft op de achterkant van een bonnetje de vaatwasmachine leegmaakt de vaatwasmachine vult heb je nu een vaatwasmachine? Maak je nog foto’s? Van wie maak je foto’s? Kijk je soms nog urenlang naar tv, liggend, met je benen wijd uit elkaar, een zak chips in de hand, bh-loos, je buik los en bol? Doe je dat alleen? Hou je nog steeds van dieren, maar enkel vanop een afstand? Hou je nog van lelies? Wit of vermiljoen? Vind je het nog steeds vervelend als mensen je voeten bloot zien? Moet je nog steeds snel huilen als je lacht? Lach je nog steeds om dezelfde dingen? Hoe klinkt je lach nu? Lach je nog om herinneringen? Lach je nog om oude moppen? Lach je nog om alle mensen? Lach je nog met tranen? Lach je nog met buikpijn? Lach je nog? Lach je nog? Lach je me nu uit?
°
Je kijkt het aan.
Je mensen, je spullen, je beloftes, je hele leven als een verzameling uitgestald.
Je keert je om. Donderslag, wind, spreeuwen vliegen op.
En je wandelt weg, simpelweg, weg.”
OO.. einde tweede fragment ..OO
Reeds de dag voordien, toen ik diezelfde woorden voor het eerst las, maar nu des te meer door het voorgelezen worden, raakten deze woorden mij als een mokerslag, hard en herkenbaar, en als een tedering, tastbare herinnering. Hoe in detail kan je iemand kennen. Hoe vertrouwd kunnen de kleinste bewegingen of eigenaardigheden van iemands bewegen je zijn. Hoe dierbaar kunnen ogenschijnlijk irriterende geluidjes zijn als ze komen van iemand waar je van houdt. En ook: hoe hard kan je je eigen gemis op iemand anders proberen te projecteren. En nog: in hoeveel alledaagse taken lopen de gedachten van vrouwen in deze wereld om en om en om. En waar leidt ons dat heen? En …
“Hoe obsessief …”, zegt Marnix, en ik val met een duik op mijn eigen snoet terug. Obsessief? Ja, als je hierin blijft hangen, dreigt het mogelijk obsessief te worden? Hoewel het me ook weer doet nadenken over het taboe: in een exclusieve relatie zouden mensen ook van passionele liefde spreken? Ik zou hier heel wat uitspraken van vriendinnen kunnen citeren, maar dat gaan we niet doen. Echter in een vriendschapsrelatie dreigt het ongezond of over de grens genoemd te worden? Eens de relatie voorbij is hoor je dat “los te laten”, te “verwerken”, “een plaatsje” te geven want anders wordt het toxisch. Door mijn eigen gedachten afgeleid ben ik hier een stuk van het interview kwijt.
“Wat staat er in de weg tussen deze twee?” , vraagt Marnix. Is er sprake van afgunst? Want Helle heeft wel duidelijk een blitzcarrière? Is het de man van Alma, die ook eens persoonlijk tussenkomt en via een text laat weten dat Helle Alma met rust moet laten? Of is het “het kind”? Want Helle heeft via via vernomen dat Alma zwanger was.
Astrid begint met te zeggen dat we dat eigenlijk niet echt weten. Het wordt opengelaten. Maar natuurlijk zal elke lezer met eigen ogen naar de herinneringen van Alma kijken.
Er is zeker iets van een machtsonevenwicht waar te nemen in de vriendschap. Alma, altijd het bruisende middelpunt van elke ruimte, zuigt alle aandacht naar zich toe. Helle, eerder verlegen, op de achtergrond, zoekend naar haar eigen weg. Alleen in hun samenzijn, weg van de openbare wereld, lijken ze zeker en zelfbewust, zowel elk van zichzelf als samen. Naarmate de publieke aandacht van de buitenwereld zich verplaatst naar Helle, lijkt Alma daar op te reageren, eerst met afstand, dan met de ultieme boodschap “Hier stopt het.”, gevolgd door het grote zwijgen.
Daarnaast is dit ook een bepaald type vriendschap: samen opgroeien vanaf de kinderjaren.
“Zijn die nochtans niet de allersterkste?”, onderbreekt Marnix. “Er wordt wel eens gezegd dat je verder in je leven nooit geen vriendschappen meer opbouwt als die allereerste?”
Dat zou ik niet durven zeggen, bij mij is dat toch niet zo, gaat Astrid verder. Ik heb zeker ook hele diepe en goede vriendschappen met mensen die ik nog maar een paar jaar ken. Maar wat wel kan zijn is, dat door het ouder worden, levens andere richtingen uitgaan. Er worden verschillende keuzes gemaakt en soms sporen die niet meer samen met de vriendschap. Dat zou hier ook zo kunnen zijn.
Bovendien voelt het voor Helle ook wat als verraad dat Alma hun gezamenlijke eed verbroken heeft (en daar komt de man en het kind misschien wel bij kijken):
“Ik wil echt nooit trouwen, zei je uit het niets. Laten we bij elkaar blijven.”
En ook nog:
“Weet je nog hoe we het ooit hadden over ongehoorzaamheid? We hadden het elkaar beloofd, altijd ongehoorzaam te blijven aan al wie ons in een mal wilde duwen, al wie ons oplegde wie we moesten zijn. We hadden gezworen om niet te behagen, niet bang te zijn het spel niet mee te spelen. We zouden niet bang zijn alleen te komen staan. We zouden altijd elkaar hebben.”
Maar dan komt toch de verwijdering, zij het onverklaard, het is een feit, en eerst zien we Helle vluchten in haar werk. Ze begint heel grootse werken te maken met grote objecten die ze van op straat haar atelier in sleurt. Ze benoemt haar werken ook niet meer, maar noemt ze I, II en III bijvoorbeeld. Ze reist ook de wereld rond, heeft alle soorten relaties, maar alles lijkt heel vluchtig. En dan belandt ze dus op het eiland.
Astrid leest een laatste maal voor:
°o°
“In de vroege ochtend schud ik de droom van me af op het strand. Het zand ligt bezaaid met honderden scheermessen. Ze kraken onder mijn voeten als koekjes. Tussen de scheermessen: zeeklitten, met en zonder harige stekels. Ik raap twee skeletten op, breekbare, witte golfballen met stervormige stippellijnen. Daarnaast in mijn emmer vandaag: enkele eenvoudige hartschelpen. Geen barnsteen. Geen vuursteen. De zee ligt er mak bij, ook de strandlopers en de meeuwen lijken niet in de dag geïnteresseerd. Ik zie opnieuw niemand op mijn ochtendtocht. Een scherpe pijn snijdt door mijn onderrug, het lukt me niet langer om gebogen te lopen. Ik stap richting de moerassen, waar het schelle tsi-tsick van de kwikstaarten klinkt, ze pikken nerveus in het natte gras, wassen ongedurig hun kopjes, hun veren. Ik ben hier alleen, denk ik. Ik ga zitten tussen het taaie helmgras, sluit mijn ogen. De pijn in mijn rug wordt breder en zachter. Hoe lang ik daar zit weet ik niet, maar als ik mijn ogen weer open, zie ik boven me een kleine valk, cirkelend, biddend in de lucht. Kijk toch niet naar me. Ksss, denk ik, terwijl ik zwijg.
°Oo
Na de middag hoor ik de stem van Hetty, ze roept mijn naam, ze staat onder mijn raam. Naast haar staan twee verroeste fietsen.
Kom, Helle, zegt ze, we gaan. Neem je badpak mee.
Hetty fietst voor me uit, haar lange haar in een wrong opgestoken, haar oude rug beweegt bij elke trap die ze geeft, de wind trekt onze wangen strak. We fietsen door het dorp, langs de supermarkt, het kerkje, de kleine vissershuizen, het gezondheidscentrum, verderop het statige hotel dat ooit glorieus was en nu al zijn glans heeft verloren. Wat zouden ze denken, vraag ik me af, de mensen die ons zien, twee vrouwen met piepende fietsen beukend tegen de wind, wie is die nieuwe, vragen ze zich af, wie is die nieuwe kleine knokige vrouw, waarom is haar haar afgeschoren, waarom loopt ze dag in dag uit over dat strand, gebogen, speurend, hoe, in godsnaam, komt ze hier terecht, wat zoekt ze, wat scheelt eraan.
Als we het dorp uit zijn, rijden we via een klein pad de dijk op, vlak langs het water. De zee is onbevattelijk uitgestrekt, de zon fel, verblindend, de wind zo sterk dat we haast van onze fietsen vliegen. Ik volg Hetty, kijk naar haar kuiten, ze trappen traag maar verbeten door. Ze vertraagt, draait rechtsaf, volgt een kleine kronkelweg, remt. Ze stapt van haar fiets en legt hem zomaar op het gras. Kom, zegt ze. Ze loopt richting zee.
Via een trapje komen we op een stuk zandstrand terecht, omringd door rotsen. De wind is kalmer hier. Hetty laat haar tas ploffen op het zand. Ze knoopt haar blouse los, haar bh, haar short. Ze legt de kleren op een hoopje, kijkt me aan, lacht. Ik durf niet te kijken. Klungelig sta ik naast haar, ik lach terug. Wat kijk je, zegt ze. Durf je niet te gaan.
Jawel, zeg ik.
Hetty loopt het strand over. Haar benen zijn dun, maar nog steeds gespierd, de huid los om de pezen, haar witte billen weerkaatsen in het licht. Haar schouders zijn hoekig afgelijnd. Ze houdt haar rug recht. Ik kijk en denk weer aan jou, hoe we een fascinatie hadden voor vrouwen die de zee in liepen, alleen, blik vooruit. Zonder aarzeling stapt Hetty het water in. Ze gaat verder, het duurt lang voor haar bovenbenen verdwijnen in de golven, voor het water haar buik raakt. Dan laat ze zich langzaam zakken, zonder een kik te geven, zo lijkt het wel, hoofd boven water, ze begint te zwemmen.
Ik trek mijn badpak aan en ga op mijn handdoek zitten. Ik kijk om me heen, begin te speuren naar kleine stenen, schelpen, ik woel met mijn handen door het zand, laat het door mijn vingers glijden, wie weet vind ik hier wel – ik kijk terug naar het water, het deinende hoofd van Hetty in de verte.
Na een lange tijd loopt ze het water uit. Ik zie haar silhouet in tegenlicht, ze komt recht op me af. Ze gaat naast me zitten, fantastisch, hijgt ze. Ze trekt haar benen op, slaat haar armen om haar knieën, sluit haar ogen, laat haar gezicht likken door de zon. Ik kijk naar de diepe groeven in haar wangen, haar hals, haar uitgezakte borsten, zacht, slap, met stijve, roze tepels als frambozen. Hetty haalt twee kleine appels uit haar zak en geeft me er een. Fantastisch, herhaalt ze. De zee houdt je helder. Jong. Je moet ook, zegt ze. Ze kijkt me aan. Je lijkt wel ouder dan ik.
Hetty laat zich traag, voorzichtig, op haar rug zakken. Ze zucht gelukzalig. Het is onmogelijk stil op dit strand. Enkel het geluid van Hetty’s happen in het sappige vruchtvlees weerklinkt, het verre roeren van de zee, ze smakt, eet de appel met klokhuis en al op, gooit het steeltje achter zich. De wind is helemaal gaan liggen. Er zijn geen vogels. Hetty heeft haar ogen gesloten, ligt met armen en benen gespreid als een omgekeerde zeester op haar handdoek.
Hoe gaat het met je zoektocht, vraagt ze na een poos.
Ik zeg, nog geen barnsteen gevonden.
Nee? Ach. Blijven zoeken.”
OO.. einde derde fragment ..OO
Waarom de keuze voor een eiland om te gaan rouwen?
Astrid vertelt hoe ze er na een werkdag in Groningen voor koos om één dag verder te reizen en zo, eigenlijk wat lukraak maar toch ook uitgemeten, op een Duits waddeneiland terecht te komen. Eens daar werden de opmerkelijke eigenschappen van het eiland tot echte karakters of minstens karakteristieken in het boek gemaakt.
Het eiland is meer dan een landschap. Het is eigenlijk ook een personage.
Zo zacht en vloeibaar als Helle en Alma vroeger samen sliepen, hun lichamen helemaal rond elkaar, zo hard moet Helle op het eiland de natuurelementen bevechten. De wind, de stormen, de zee, het brandt haar huid. Het voortdurende jutten vervormt haar lichaam. Ze wordt helemaal verteerd door pijnen. Ze heeft ook vreselijke nachtmerries.
Helle wordt ook bekeken als de vreemde eend in de bijt op een eiland met een handvol inwoners die allemaal even eigenaardig zijn.
Met de veel oudere Hetty ontwikkelt ze gaandeweg een nieuw soort vriendschap. “Vriendschap is een levensoefening in vertrouwen,” zegt Hetty als ze afscheid neemt van Helle.
Ik hoop dat de jongeman die achter me zat in het publiek het me niet kwalijk neemt maar ik vond zijn vraag te mooi om niet te vernoemen.
Hij vroeg of het bedoeld was dat de naam Alma, die ziel betekent, eigenlijk staat voor Helle die haar ziel verkocht aan haar naambekendheid als kunstenaar, succes najagen en zo haar dierbaarste vriendin verloor.
Niet bedoeld, zei Astrid, maar een boek leeft altijd verder bij de lezer.
Lieve lezers van Gent Leest, ik wens jullie allen een trage en lang voortdurende sensatie bij het lezen van dit prachtige boek! Een boek om lang, heel lang van te genieten.
Dankjewel Astrid Haerens!
Lut Vael
Lees ook mijn leestip: https://www.gentleest.be/leestips/erosie-roman-we-hadden-gezworen-om-niet-te-behagen-niet-bang-te-zijn-het-spel-niet-mee-te-spelen