Een schrijver verdient zijn hemel
In 1951 verscheen De Uitverkorene (Der Erwählte) van Thomas Mann, een korte roman waarvan hij de stof al had prijsgegeven in Doctor Faustus uit 1949. Daar diende ze als inspiratie voor één van de marionettenopera’s die door de duivelskunstenaar Adrian Leverkühn werden gecomponeerd. Zelf had Mann het verhaal ontleend aan een aantal middeleeuwse bronnen: een Vie de Saint Grégoire (rond 1160), de legende Gregorius of Der gute Sünder van Hartmann von Aue (°rond 1160 – + rond 1210) en de Latijnse vertellingenverzameling Gesta Romanorum (14de eeuw).
Vlaanderen en Artesië in de middeleeuwen. Grimald heerst aan de zijde van Baduhenna welvarend en gelukkig over zijn hertogdom, ware er niet een onvervulde kinderwens. Als zijn echtgenote toch een tweeling, een jongen Wiligis en een meisje Sibylla, ter wereld brengt, sterft zij in het kraambed. De beeldschone kinderen zijn onafscheidelijk. Als Grimald, zeventien jaar na zijn vrouw, overlijdt, gaan Wiligis en Sibylla met elkaar naar bed met de gevolgen van dien. Wiligis zal op kruistocht vertrekken om te boeten maar zal nog vóór Marseille bezwijken aan een gebroken hart. Sibylla moet in het geheim bevallen waarna het kind van de zonde in een vat op een bootje aan de golven van de Noordzee en aan de Voorzienigheid wordt toevertrouwd. Het jongetje krijgt als bagage een door Sibylla geschreven tablet met uitleg over zijn edele maar onwettige afkomst mee, een rijkelijk stuk zijde, en twee broden met daarin verstopt een som goudstukken… voor het geval het vehikel voorspoedig zou stranden. In het Kanaal wordt het door vissers binnengehaald en op het eiland Saint Dunstan afgeleverd aan Gregorius, de abt van het plaatselijke klooster. De baby in het vat wordt ontdekt, door de abt gedoopt met dezelfde naam, en de nodige schikkingen worden getroffen: het kindje wordt voorlopig geplaatst in een kroostrijk vissersgezin, waar net een andere zuigeling voorhanden is. Van zodra de jonge Gregorius de geëigende leeftijd zal hebben, zal hij in het klooster worden opgevoed. Zo geschiedt, maar dan begint ten volle te blijken dat hij naar aard en intelligentie helemaal anders is dan zijn zoogbroer Flann. Het komt tot een slaand conflict, waarbij Gregorius Flanns neus breekt. Als gevolg daarvan krijgt hij van de vissersvrouw te horen dat zij niet zijn moeder is, maar een vondeling, waarop hij ook van de abt zijn zondige afkomst verneemt. Gregorius besluit het eiland te verlaten en als dolende ridder de wijde wereld in te trekken.
Na een duistere tocht over een mistige zee komt hij aan in Brugge. Stad en land worden geteisterd door de zogenaamde liefdesoorlog, de guerre d’amour. Hertog Roger van Hoog-Bourgondië – Arelat heeft immers zijn zinnen gezet op de beeldschone hertogin die zich daar teruggetrokken heeft, maar die obstinaat weigert om met wie dan ook nog in het huwelijk te treden. Daarom kamperen zijn troepen vóór de muren van de stad en zullen niet wijken eer de hertogin toegeeft of eer Roger in een tweegevecht verslagen wordt. Uiteraard zal ridder Gregorius, inmiddels een knappe jongeling, zich als kampioen aanbieden en de belager het onderspit doen delven… waarna hij en de hertogin zich wederzijds tot elkaar aangetrokken voelen en met elkaar in het huwelijk treden, een voorgevoel ten spijt. Zij zullen twee kinderen verwekken eer aan het licht komt dat zij zijn moeder Sibylla is, die eenzaam was blijven treuren om Wiligis. Hierop gebiedt Gregorius haar om haar verdere leven aan de ziekenzorg te wijden en trekt hij opnieuw de wijde wereld in, maar nu als boeteling.
Zo komt hij op zekere dag bij een vissershut, waar hij met moeite een nacht onderdak krijgt. Op zijn vraag brengt de hardvochtige visser hem ’s anderendaags naar een onherbergzame plaats: een hoge rots in het meer, waar hij hem achterlaat met voetboeien, waarvan hij de sleutel in het water gooit. Gregorius overleeft door aardmelk, die uit de rots opwelt.
Als in Rome de paus overlijdt, ontstaat er een tweestrijd tussen enerzijds Symmachus en anderzijds Eulalius die allebei van geen wijken willen weten: de ene zetelt in het Lateraan, de andere in Sint-Pieters. Aangezien zij echter ongeveer gelijktijdig sterven door geweld of overdaad, is de Heilige Stoel vacant. Op dat moment worden een vrome Romeinse burger en een hoge kerkvorst bezocht door een visioen dat hun de weg wijst naar de Uitverkorene. Zo wordt Gregorius van zijn steen gehaald en tot paus gewijd, wiens mildheid algauw internationale faam krijgt. Zo rijpt ook bij Sibylla de gedachte om met haar dochters op pelgrimage naar Rome te gaan. Ze wordt in de ultieme herkenningsscène door de paus, haar zoon, “broer” en echtgenoot in audiëntie ontvangen.
Opvallend is de symboliek die overal opduikt. Ridder Gregorius voert als blazoen een vis. De hardvochtige visser, die Gregorius ketende op de rots en de sleutel in het water gooide, vangt op de dag dat de boden uit Rome komen een vis, en als hij die opensnijdt, blijkt de sleutel in zijn maag te zitten. Een vis (in het Grieks ICHTHUS) is het symbool van Christus. Een sleutel is dan weer een attribuut van de Heilige Petrus. Net zoals de rots op de (eerste) paus zinspeelt: “Gij zijt Petrus, en op deze Steenrots zal ik mijn kerk bouwen.” Mann speelt met het getal 17: Grimald overleefde zijn vrouw 17 jaar en op dat moment begaan Wiligis en Sibylla hun zonde. Gregorius blijft 17 jaar op het eiland. Zijn stuurloze overtocht naar het vasteland duurt 17 dagen. En 17 jaar duurt zijn boetedoening op de rots. Volgens de bijbel begon de Zondvloed op een 17de dag van de maand. In Romeinse cijfers wordt 17 als XVII geschreven, maar als anagram geeft dat het woord VIXI, Latijn voor “ik heb geleefd” d.i. “ik ben dood”. Waarmee allicht verwezen wordt naar “dood-zonde”.
De zonde in kwestie is uiteraard incest, in dit geval een seksuele vorm van narcisme: de personages worden eigenlijk verliefd op hun eigen schoonheid, wat evident is in het geval van de tweeling, en de zeventienjarige Gregorius, die in dezelfde situatie belandt als Oedipus, heeft allicht wel trekken die Sibylla moesten herinneren aan zijn vader Wiligis. Maar door het besef van hun zelfbetrokken arrogantie en de daaropvolgende wending van hun levensloop worden allen aan het einde toch begenadigd.
In zijn dagboek schrijft Mann op 11 april 1948 over de opzet van zijn roman: “De ideeën van het geheel zijn: humoristische absoluutheid van de taal en humoristische uitverkiezing door genade.” Die komische almacht van de taal is wel duidelijk, want hij laat de geschiedenis voorbrengen door de Geest van de Vertelling, in de persoon van Clemens, een Ierse monnik, gezeten aan zijn schrijfpupiter in de kloosterbibliotheek van Sankt-Gallen. Die laat prompt alle klokken van Rome luiden, zonder dat er een klokkenluider of een mirakel aan te pas komt. Clemens hoeft dat maar op te schrijven, en het gebeurt. Hij is ook een alwetende verteller, hij weet van in den beginne hoe het afloopt, maar houdt natuurlijk de spanning erin door niet meteen alles prijs te geven. Probleem is natuurlijk, dat het hier niet louter om een heiligenleven gaat, maar dat het ook een beetje een hoofse roman is, ja, met erotische passages. Een monnik schroomt om die te vertellen, wat niet belet dat Clemens na zijn aanvankelijke terughoudendheid toch voluit gaat in een lustige beschrijving van de desbetreffende scène. Ook wordt hij niet verondersteld veel van militaria en steekspelen af te weten, maar hij levert fraaie opsommingen af van wapentuig en wapenrusting. Het hele taalregister is “middeleeuws”, met invoeging van Duitse, Franse en – op het Kanaaleiland – rare Engelse archaïsmen. Dat is allemaal licht en neigt soms ronduit naar de klucht.
Met de “humoristische uitverkiezing door genade”, is het toch wat anders gesteld. De verpakking mag hier dan komisch zijn, maar Mann – ofschoon zeker geen “godsdienstige” schrijver – nam het begrip genade wél au sérieux. Hij had het traditioneel protestants koopmansmilieu vaarwelgezegd en betoonde zich geen grote sympathisant van Maarten Luther. Maar levensbeschouwelijke vragen hebben hem steeds beziggehouden, zie zijn essays over Nietzsche en Schopenhauer of de discussies in De toverberg en de verwerking van de Bijbelse mythe in de Jozef-tetralogie. In zijn jaren van exil in de Verenigde Staten sloot hij zich aan bij de pluralistische en liberale First Unitarian Church of Los Angeles. Op 29 april 1953 zou de oude Thomas Mann zelf door Paus Pius XII in audiëntie ontvangen worden, en was behoorlijk onder de indruk. Hij noteerde in zijn dagboek over zijn Roomse ervaring: “O merkwaardig leven, zoals nog niemand het heeft geleefd, lijdend en ongelovig uitverkoren. Ellende, genade.” Zonder voor een dogmatisch geloof te kiezen, getuigt zijn werk van een bepaald religieus humanisme, dat in de laatste jaren opvallend rond de thematiek van zonde, schuld, boete en uiteindelijk genade ging draaien. De penitentie van Thomas Mann (zelf een beetje narcistisch) om zijn aards bestaan te verrechtvaardigen was nu eenmaal zijn Werk, het ijverig en onverdroten schrijven aan een Oeuvre, dat het waard zou zijn om nagelaten te worden. Hoopt zijn alter ego Clemens aan het slot van De uitverkorene niet op de genade van zijn lezers, die hem in dank voor zijn raad en vermaningen in hun gebeden zullen willen gedenken, zodat hij ze in het in het paradijs terug zal ontmoeten?