Interview met Nicole Ledegen - ‘Sprokkels op de hoge stoel’

12 maart 2026

Redacteur Christel schrijft: 'Ik kwam Nicole toevallig tegen op café en was nieuwsgierig naar haar werk. Ik wist dat ze een bezige bij was, want jaren geleden had ik haar gevraagd om mij te begeleiden bij het schrijven, maar toen had ze geen tijd. Nu heeft ze gelukkig wel tijd om op al mijn vragen te antwoorden.'

Hoe kom je erbij om een sprookjesboek te schrijven?
Ik had verschillende sprookjes geschreven en wou daar een compositie van maken.
Maar het is meer dan een sprookjesboek geworden. Ik keek terug om te achterhalen van waar de sprookjes in mijn leven kwamen. In mijn biografisch werk vond ik fragmenten die ik kon linken aan de sprookjes. Dit zijn dan de dagboekfragmenten.
Daarnaast heb ik ook poëzie en didactische verwerking bijgevoegd. De sprookjessfeer heeft mij altijd aangetrokken. Als kind was ik enorm geboeid door de boekjes van ‘Janneke en Mieke’. Kinderboeken met opdrachten zoals een schat zoeken, werken met een plattegrond, hadden een grote aantrekkingskracht op mij.
Mijn boekje is bedoeld voor iedereen , zowel jong als oud, om iets te doen met sprookjes. Het is een werkboek. Ik analyseer het sprookje zowel inhoudelijk als wat het met de lezer doet, bijvoorbeeld welke zintuigen komen er aan bod, hoe kan je erover filosoferen, iets knutselen enz... Ik schreef het toen ik op pensioen ging én het was juist de coronaperiode. Mijn bedoeling was om er later zelf iets mee te doen, bijvoorbeeld voorlezen. Maar ik wil vooral nog veel sprookjes schrijven.

De titel is voor mij al een raadsel op zichzelf : Sprokkels op de hoge stoel. Hoe kom je aan deze titel?
Ik schrijf kleine flarden, puzzelstukjes die tot één geheel komen. Waarom op de hoge stoel? Op de cover staat een illustratie van een foto. Die stoel staat als kunstwerk in het Berouw in de tuin van De wereld van Kina. Als verteller zit je op de hoge stoel en iedereen zit rondom je.


De dagboekfragmenten over jouw eigen leven vond ik leuk om te lezen.
Het verhaal van het Takkenbosvrouwtje refereert naar mijn grootmoeder, die met een oude kinderwagen op stap ging en allerlei dingen opraapte. Daar maakte ze van alles mee, want ze was heel arm. Ik heb haar niet lang gekend, tot ik een jaar of acht was.
Maar dat beeld is mij altijd bijgebleven. Pas toen ik het boek samenstelde, besefte ik zelf dat dit verhaal over mijn grootmoeder ging. Het boek heb ik intuïtief gestructureerd, wat moeilijk lag voor de uitgever. Bij de eerste is het niet goed afgelopen. Ik heb dus een andere uitgever moeten zoeken. Dat was moeilijk met de coronaperiode

Sprokkels Cover

én ik had ook geen ervaring met het uitgeven van een boek. Ik had een componist gezocht om muziek te maken voor mijn gedichten. Hij had het idee opgevat om er een CD van te maken, wat eigenlijk niet meer eigentijds is. Het was een hele klus om het boek zo te krijgen zoals het nu is, met QR-codes.

Bij het lezen van jouw biografie merk ik op dat je een duizendpoot bent op gebied van literatuur. Wat doe je allemaal en heb je daar tijd voor?
Ik ben wel altijd bezig geweest met literatuur vooral vanuit de dictie-en voordrachtles van de muziekacademie.
Op advies van het vroegere PMS studeerde ik logopedie en geen Germaanse.
Mijn ouders geloofden de raad van het PMS dat het te moeilijk zou geweest zijn voor mij.
Eerst werkte ik als logopediste in verschillende revalidatiecentra, maar ik had te weinig tijd om te schrijven. Mijn job had ook niets te maken met literatuur en ik miste dat. Ik wilde geen fulltime job meer om toch ook creatief te kunnen zijn.
Ik studeerde opnieuw, op aanraden van mijn partner, nl. regentaat Nederlands en nog twee ander vakken nl. Aardrijkskunde en Zedenleer. Zo kon ik mijn literatuur wat bijschaven, veel meer lezen én kon ik les geven.
Doch de stages met de pubers waren niet evident. Ik koos toen om te werken in de lagere scholen als leerkracht zedenleer, waar er veel uren open stonden. Ik kon heel creatief zijn en ze lieten me ook heel vrij. Ik kon mijn eigen teksten en eigen thema’s gebruiken in kleine groepjes. Nu is dit ook allemaal aan het veranderen.

Daarnaast heb je jouw eigen ‘Studio Rinkelsteeltje’ opgericht. Wat doen jullie?
Het is een gelegenheidsgezelschap van dichters, en muzikanten dat bestaat uit mijzelf, mijn partner Jean Vermeulen, Johan De Vos en Mieke, Wim De Winter en Ozgun , Geert Neckebroeck en Martine De Craene. We treden op met verhalen vertellen, poëzie voordragen en muziek tijdens de Patersholfeesten en andere evenementen. Elk jaar werken we een ander thema uit en nodigen we een gastdichter of muzikant uit. De naam ‘Rinkelsteeltje’ verwijst naar rinkelen, het muzikale gedeelte. ‘steeltje’ verwijst naar het schrijven en ook naar het sprookje ‘Repelsteeltje’ dat van stro goud kon maken.

Je kiest niet voor de gemakkelijk toegankelijke literatuur.
Ik schrijf graag gedichten en sprookjes. Dat is inderdaad niet gemakkelijk, noch om te schrijven noch om te lezen.

In Destelbergen werd je verkozen tot de vijfde dorpsdichter. Wat hield deze opdracht in? Hoe kom je eigenlijk als kandidaat op de lijst terecht?
Iemand spoorde mij aan om mij kandidaat te stellen. Op dat ogenblik gaf ik les in Destelbergen, dus stuurde ik twee gedichten op. Op basis daarvan mocht ik dorpsdichter worden. Ik moest mijn eigen visie over het werk van een dorpsdichter uitleggen. Door corona had ik niet veel opdrachten. Het gedicht in het sprookjesboek ‘Cor en Ona ‘, heb ik in die periode geschreven. Het is een kindergedicht opgedragen aan de school waar ik werkte. Ik schreef een nieuwjaarskaartje voor de bewoners ‘Lichtpunt’, een gedicht voor de gemeente, een gedicht voor een tentoonstelling ‘ De Schelde’. In die periode voelde ik me alleen en heb ik contact gezocht met de vorige dorpsdichters. Ik was de vijfde. We zijn een collectief geworden en willen dit jaar een bundel uitgeven.

Zijn er nog plannen voor nieuwe projecten?
Ik wil in de eerste plaats mijn boekje de wereld insturen, wat een werk op zich is. Ik wil het in verschillende bibliotheken krijgen en om zo een kans te krijgen om daar te kunnen voorlezen en eventueel een workshop te geven.

Gedichten schrijven is een constante in mijn leven. Door mee te doen met een cursus zoals bij Wisper krijg je niet alleen een vorming en leer je werken met een deadline, maar krijg je ook nieuwe kansen, je leert nieuwe mensen kennen. Zo ben ik onlangs bij de groep van Deinze beland. Ik heb met hen meegewerkt aan een poëziewandeling in het kader van gedichtenweek 2026 met als thema ‘Metamorfose’.
Mijn ‘Walvislied’ hing uit en kon ik verschillende malen voorlezen. Het voelt goed om opgenomen te worden in een groep.

Verder wil ik sprookjes en jeugdverhalen schrijven. Ik heb een idee in mijn hoofd om iets te doen over het paardenvolkje. Mijn partner is een ruiter. Ik zelf rijd niet te paard, maar als kind woonde ik recht tegenover een manège in Gentbrugge. Ik mocht niet paardrijden, want mijn ouders hadden daar geen geld voor. Er blijft wel altijd een bepaalde frustratie hangen als je het zélf niet hebt mogen doen. Nu hebben mijn partner ik verschillende contacten met mensen in de paardenwereld. En misschien wil ik ook wel schrijven over waar ‘het paard ‘in mijn leven tevoorschijn komt. Misschien met mijn naam alleen al: Nicole heeft als patroonheilige Nicolaas of is dat te ver gezocht? Ook met mijn peter als gendarme-te-paard. En wij woonden in een bepaalde periode vlakbij een kleine manège, enz.. Ik kan dezelfde structuur gebruiken als in het eerste sprookjesboek: poëzie, dagboekfragmenten, sprookjes en didactische tips. En zo is de cirkel weer rond.

Hartelijk dank Nicole voor dit fijne gesprek waarbij ik een kijkje mocht nemen in jouw
sprookjeswereld.

Christel Van Renterghem