Vergeten helden en verzwegen vaders uit het Antwerpse verzet
Er zijn voor mij drie categorieën van boeken over de Tweede Wereldoorlog: “De geromantiseerde verhalen goed voor wat idyllisch leesgenot en die ik aan mij laat voorbijgaan - De gefictionaliseerde romans die de waarheid en de feiten in een sterk literair verhaal gieten en die ik heel graag lees - De getuigenverslagen of feitelijke verslaggeving over waargebeurde persoonlijke verhalen die ik niettegenstaande zij meestal een droge opsomming zijn van feiten ook heel graag ter informatie lees.
De turnkring: Wat mijn vader mij nooit verteld heeft bevindt zich zowat tussen categorie 2 en 3 en is een aangrijpend boek dat dit jaar verscheen. In 248 pagina’s reconstrueert de auteur het bijna vergeten verhaal van een Antwerpse studentenverzetsgroep tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze jonge mannen, schijnbaar onschuldig verenigd in een “turnkring”, organiseerden zich in werkelijkheid onder die dekmantel om inlichtingen te verzamelen, pamfletten te verspreiden, wapens te vervoeren en voorbereidende acties te ondernemen voor de bevrijding van de regio Deurne-Zuid.
Manders is van mijn leeftijd en dat zal dus ook wel de reden zijn waarom ik mij sterk kon vereenzelvigen met dit schitterend heropgebouwd verslag. Ook mijn vader zaliger repte met geen woord over dat oorlogsverleden, en het was pas na zijn dood dat ik via enkele familiegetuigenissen zijn verhaal begon te begrijpen — en ook waarom hij er geen woord over losliet.
Manders moet een huzarenwerk hebben verricht om dit verzwegen verleden van zijn vader te achterhalen. Het is het verhaal van zovelen van onze (groot)ouders, en het liet mij eens te meer begrijpen waarom we zulke herinneringen niet mogen laten verdwijnen. Ze zijn te onmenselijk, en spijtig genoeg ook vandaag terug te nabij. Bijzonder sterk zijn de vele kanttekeningen, foto’s en persoonlijke geschriften die het relaas niet enkel realistisch, maar vooral ook ontroerend en indringend maken.
De jonge mannen die zich onder het mom van een turnkring hadden verenigd, waren idealistisch, naïef en wellicht onbezonnen — maar ze deden wat ze dachten dat ze moesten doen: zich verzetten tegen de bezetter. De gevolgen van hun overmoed en vastberadenheid werden pas pijnlijk duidelijk toen ze verraden werden. Op 27 juni 1943 viel de Gestapo binnen tijdens een bijeenkomst in Antwerpen. Drieëntwintig leden van de groep, onder wie ook de vader van de auteur, werden gearresteerd en opgesloten in de Begijnenstraat (Antwerpen), daarna overgebracht naar Sint-Gillis (Vorst) en vervolgens naar Essen (Duitsland). Uiteindelijk werden zij als Nacht-und-Nebel-gevangenen — verzetslieden die spoorloos moesten verdwijnen — gedeporteerd naar Duitsland. Achtergebleven familieleden bleven jarenlang verstoken van enige informatie.
De meesten kwamen terecht in het strafkamp Esterwegen, waar ze in mensonwaardige omstandigheden moesten zien te overleven. Omstandigheden die Manders pijnlijk en bikkelhard omschrijft, en dat is goed. Dit moet in ons collectief geheugen verankerd blijven alleen al omwille dat dit nooit meer mag geburen. Helaas. Sommigen belandden nadien nog in andere concentratie- en gevangenkampen. Slechts acht van hen zouden levend terugkeren.
De vader van de auteur werd in 1945 bevrijd door Russische soldaten en keerde, na een lange en moeizame tocht over land en zee, eindelijk terug naar huis. In 2025, tachtig jaar later, is zijn verhaal niet enkel een herinnering aan de bevrijding, maar ook een stille oproep aan de volgende generaties om de herinnering aan de gruwel levend te houden.
Eric Manders schreef dit boek om dat vergeten hoofdstuk opnieuw tot leven te wekken en het verhaal van zijn vader — een verhaal van moed, idealisme en onmenselijk lijden — eindelijk te vertellen. Door archieven te raadplegen, getuigenissen te verzamelen en persoonlijke herinneringen te verweven met historische feiten, brengt hij een eerbetoon aan een generatie jonge mensen die hun leven riskeerden voor vrijheid.
Dit boek lees je niet om je te laten meeslepen door een spannend verhaal, maar omdat je wil weten, omdat historische feiten niet mogen verdwijnen of wegdeemsteren, omdat je het verhaal van je (groot)ouders wil kennen. De turnkring is meer dan een historische reconstructie; het is ook een persoonlijke zoektocht naar begrip en verbondenheid tussen vader en zoon. Manders toont hoe de littekens van oorlog niet stoppen bij de overlevenden, maar doorwerken in hun kinderen. Daarmee maakt hij niet alleen het verleden tastbaar, maar ook de noodzaak om te blijven herinneren.
Het boek richt zich tot iedereen die geïnteresseerd is in de Belgische verzetsgeschiedenis — in het bijzonder in het studentenmilieu en de Antwerpse context — maar evenzeer tot iedereen die niet onbewogen wil blijven bij onze eigen geschiedenis en er lessen uit wil trekken. Door zijn combinatie van persoonlijke memoires en verhalende non-fictie biedt De turnkring niet enkel inzicht in de gebeurtenissen van toen, maar ook in de blijvende kracht van herinnering. Het is tegelijk een eerbetoon, een waarschuwing en een uitnodiging om de verhalen van moed en menselijkheid niet verloren te laten gaan.