Twee weken vakantie, een innerlijk kijk op zorgen voor elkaar en tederheid In een tijdperk dat we ons niet meer kunnen voorstellen.
Engelse klassieker uit de jaren dertig over de jaarlijks terugkerende vakantie aan zee van een doorsnee gezin uit een Londense voorstad.
Twee weken weg van R.C. Sherriff is een gelukzalige herontdekking uit de jaren dertig over de jaarlijkse vakantie aan zee van een doorsnee Engels gezin – met haar alledaagse routines, gekoesterde rituelen en warme herkenbaarheid.
Al twintig jaar reist het gezin Stevens, best wel grappig als een familie protagonisten je familienaam draagt, begin september vanuit hun Londense voorstad naar dezelfde vakantiebestemming: Bognor Regis, een badplaats ten zuidwesten van Londen.
De dagen versmelten, de gedachte aan het einde van de vakantie wordt resoluut verdrongen. De kinderen knopen kortstondige vriendschappen aan, de oudste dochter beleeft haar eerste zomerliefde. Ondertussen probeert de vader zich op te laden voor de sleur die hem de komende vijftig weken wacht, en doet de moeder braaf alsof ook zij geniet van hun jaarlijkse uitspatting.
Sherriffs vermogen om het alledaagse leven met uitzonderlijke precisie en mededogen te beschrijven, zonder te vervallen in sentimentaliteit is opvallend. Sherriff beschrijft hier met ernst en waardigheid gewone mensen uit de middenklasse in Engeland in een tijdperk van zeden en gewoonten die wij niet meer kennen.
De vakantie van de familie Stevens is veel meer dan een uitstapje naar zee; zij vormt een kortstondige ontsnapping aan de dagelijkse routine, een periode waarin de personages even de vrijheid ervaren om te zijn wie zij werkelijk zouden willen zijn. Juist doordat de auteur zich concentreert op kleine gebeurtenissen en ogenschijnlijk onbeduidende details, krijgt het verhaal een onverwachte emotionele diepgang.
Een echt traditioneel plot moet je niet verwachten. Er gebeuren geen dramatische of spectaculaire dingen, maar toch weet Sherriff de lezer voortdurend te boeien. Door al die kleine zorgen, verwachtingen en vreugden van zijn personages serieus te nemen vervalt hij niet in een soort komisch laag bij de grondse beschrijving van Jan Modaal. De onderlinge familiebanden worden niet zichtbaar gemaakt via grote emotionele uitbarstingen, maar door subtiele gebaren, alledaagse gesprekken en zorgvuldig geobserveerde momenten van tederheid. Het gaat hier over mensen die zorg dragen voor elkaar. Uiteindelijk wordt de roman daarmee een ode aan het gewone leven en aan de waarde van de ogenschijnlijk onbelangrijke ervaringen waaruit een mensenleven is opgebouwd. We kunnen ons dit nauwelijks nog voorstellen hoe belangrijk toen schone schijn en waardig voorkomen wel was, maar die kleinburgerlijkheid wordt nergens met hoongelach omschreven.
De eenvoudige gezinsvakantie groeit uit tot een beschouwing over de vergankelijkheid van geluk, het ouder worden en het besef dat zelfs de mooiste momenten onvermijdelijk voorbijgaan. De roman weet daarmee een diep menselijke ervaring op te roepen zonder ooit nadrukkelijk filosofisch of sentimenteel te worden.
Twee weken weg bewijst eens te meer dat een roman geen grote dramatische gebeurtenissen nodig heeft om diep te ontroeren. Juist de aandacht voor het gewone leven, de fijnzinnige observatie van menselijke relaties en het besef dat geluk vaak schuilt in kleine, vluchtige momenten maken het boek tot een uitzonderlijke leeservaring. Voor wie echter bereid is zich over te geven aan Sherriffs rustige vertelkunst is dit een literaire parel.
Synopsis
Een doorsnee Engels gezin - vader, moeder en drie kinderen - gaat rond 1935 voor twee weken op vakantie aan zee.