De kunstenaar als oplichter?
Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull: het eerste deel van zijn memoires (Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull. Der Memoiren erster Teil) verscheen in 1954 als laatste roman van Thomas Mann. Onafgewerkt, want – zoals de titel het zelf aangeeft – er hoorde nog een deel te volgen, dat er alleszins door de dood van de auteur in 1955 niet meer kwam. Het boek kende ook een wat gefragmenteerde ontstaansgeschiedenis: Mann begon er in 1910 aan te schrijven, stopte daar in 1913 mee, om het pas in 1951 terug op te nemen.
Felix Krull neemt de pen ter hand om zijn eigen leven aan het papier toe te vertrouwen. (Aanvankelijk schrijft hij eigenlijk onbeholpen, wanordelijk, bombastisch, maar Mann laat dat stilletjes op zo’n manier evolueren dat het uiteindelijk behoorlijk virtuoos wordt.) Hij noemt zich een gelukskind – Felix – “een lievelingskind van de scheppende machten en als het ware van bevoorrecht vlees en bloed”. Het milieu van zijn jeugd is er al een van een zeker bedrog. Zijn vader verdient goed geld met de verkoop van een mousserende wijn “Lorley extra cuvée”, in feite goedkoop geproduceerde bocht, tot het bedrijf op de fles gaat. Zijn peetoom, professor Schimmelpreester, is een derderangs kunstschilder maar allesbehalve “professor”, voor wie hij regelmatig model mag staan in verschillende gewaden… en van wie hij leert dat hij een echte “verkleedkop” heeft, d.w.z. dat elk kostuum hem goed staat. Hij ontmoet de acteur Müller-Rosé: op het toneel, verleidelijk, muzikaal, lichtvoetig, elegant en charmant. Maar in de kleedkamer blijkt dat allemaal maar een kwestie geweest te zijn van kostuum, grime en een pruik en is Müller-Rosé een onuitstaanbare, lelijke, lompe kerel. De jonge Felix ontdekt zijn gave om aandoeningen te veinzen en aldus de school te verzuimen. Hij zal later aan de legerdienst ontsnappen door een perfecte epilepsieaanval op te voeren. Ook zijn fysieke aantrekkelijkheid komt hem te pas om zich seksueel te laten inwijden door het dienstmeisje.
Van zijn geboortestreek aan de Rijn komt hij via Frankfurt, waar hij eventjes als gelegenheidspooier van het Hongaarse hoertje Rosza optreedt, terecht in Frankrijk, waar hij aan de grens meteen de gelegenheidsdief wordt van de juwelen van een naast hem bij de douane aanschuivende vrouw. Die Madame Houpflé zal hij opnieuw ontmoeten in het chique Parijse Hotel Saint James and Albany, waar zij logeert en hij op aanbeveling van peetoom Schimmelpreester een baantje krijgt, eerst als liftboy, later als kelner. Een job, en een nieuwe naam: Armand (de naam van de vorige liftboy). Het toeval wil nu dat Madame Houpflé haar oog heeft laten vallen op een bevallige en vulgaire liftboy voor een onenightstand waarbij zij ook ten gronde vernederd, zelfs wat afgeranseld wenst te worden. Felix/Armand is daar echter te zachtaardig voor en bekent bij wijze van “vernedering” de diefstal. Houpflé is verrukt en stelt hem voor haar daarbovenop nog een forse geldsom afhandig te maken. Wat ook gebeurt.
Armand/Felix, tot kelner bevorderd, en ondertussen dus in het geheim serieus bemiddeld, valt eveneens bij andere hotelgasten in de smaak. Lord Kilmarnock smeekt hem om hem naar Schotland te volgen. Markies Louis “Loulou” de Venosta vraagt zelfs om zijn persoon met hem te ruilen. Het zit zo. De Venosta is dolverliefd op Zaza, een zangeresje dat optreedt in een muziektheater van licht allooi. Zijn ouders zijn ten zeerste gekant tegen deze relatie, en sturen hem daarom op wereldreis, te beginnen met Lissabon. Zou Armand/Felix niet de plaats van Loulou willen innemen, terwijl Loulou lustig met Zaza in Parijs blijft? Zo gezegd, zo gedaan. Felix leert dan wel het handschrift van Loulou nabootsen om brieven aan diens ouders te kunnen schrijven.
Op de trein naar Lissabon ontmoet Loulou/Felix professor Kuckuck die de directeur is van het Natuurhistorisch Museum aldaar. Hij gaat met zijn medereiziger een gesprek aan over de evolutietheorie: “De hele natuur, van haar vroegste, haast nog onstoffelijke en haar eenvoudigste vormen tot aan de verst ontwikkelde en de meest levendige toe, was steeds één gebleven en haar diverse stadia bestonden naast elkaar voort, sterrennevel, steen, worm en mens.” Dat geeft meteen ook nog eens een insteek om te spelen met gelijktijdigheid, identiteit en verwisselbaarheid! Van professor Kuckuck krijgt Loulou/Felix een uitnodiging om hem te komen opzoeken te zijnen huize in Lissabon. Zodoende zal Loulou/Felix er zijn dochter Zouzou en zijn echtgenote Maria Pia ontmoeten. Loulou/Felix zal proberen de jonge Zouzou voor zich te winnen, als ware het zijn Zaza… maar wordt ten slotte in bed gesleurd door de rijpe schoonheid Maria Pia. Waarmee professor Kuckuck gekoekoekt is.
Het is waarschijnlijk dat in het ongeschreven gebleven vervolgdeel Loulou/Felix zijn reis en zijn deugnieterijen zou verdergezet hebben, misschien door de paus in Rome op audiëntie zijn ontvangen, onvermijdelijk ontmaskerd zou worden en in de gevangenis zou belanden, waaruit hij ten slotte gelouterd (?) zou worden ontslagen.
Zoals gewoonlijk documenteerde Mann zich voor de redactie van de Ontboezemingen. Een eerste inspiratiebron waren de in 1905 verschenen memoires van een Roemeense professionele oplichter, George Manolescu.
Maar Mann recupereerde ook thema’s. De ondergang van een handelszaak is er zo een, cfr. zijn biografie en zie De Buddenbrooks en het uit 1897 daterend verhaal Der Bajazzo (De Paljas). De school verzuimende Felix is overigens niemand anders dan de weinig enthousiaste student die de jonge Thomas Mann was.
In Frankfurt ziet Felix op het balkon van een hotel een broer en zuster staan, kennelijk een tweeling, en is betoverd: “Liefdesdromen, dromen van verrukking en van begeerte om samen te komen – ik kan ze niet anders noemen, hoewel ze niet een enkele figuur maar een dubbel wezen golden, een vluchtig maar intens waargenomen paar, broer en zuster […]. De schoonheid lag hier in de dualiteit, in hun charmante dubbele existentie […].” Tweelingparen van broer en zuster spelen ook een bepaalde rol in het verhaal Wälsungenblut en in de roman Der Erwählte (De Uitverkorene). Mann zelf was gehuwd met Katja Pringsheim, de helft van zo’n tweeling…
Toen hij, eind juni, begin juli 1950 in Grand Hotel Dolder in Zürich logeerde, werd de oude schrijver nog verliefd op de kelner Franzl, zodanig dat zijn dochter Erika hem een beetje moest vermanen: is de passage waar Lord Kilmarnock (die een neus heeft die toch wat op die van Mann lijkt) een oogje op de mooie Armand/Felix heeft daar soms een echo van?
Handig, bevallig en veel taalvaardiger dan het eerst lijkt laat Felix Krull de lezer zijn avonturen volgen zonder moreel bezwaar, want hij is immers sympathiek, zoals alle oplichters (zo niet zijn ze niet geschikt voor hun vak).
De Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull zijn een parodie op een autobiografie zoals Goethes Verdichting en Waarheid. Maar had Mann zelf, een tikkel narcistisch, zich al niet zo’n beetje geïdentificeerd met Goethe in zijn Lotte in Weimar? Parodieert hij dan ook niet een beetje zichzelf? Tevens zijn de Ontboezemingen een schelmen- en vormingsroman waarin Krull trekjes van de auteur krijgt. Zou het kunnen dat Mann de kunstenaar – en hij is er zelf ook een – als een soort oplichter beschouwt? De artiest, in dit geval de schrijver van fictie, is immers een specialist in make believe. Er is een blad bewaard waarop Mann de handtekening van Krull geoefend heeft.
De laatste roman van Thomas Mann, is niet zijn meesterwerk: dat is De Toverberg, of Doktor Faustus, een paar van zijn verhalen nog buiten beschouwing gelaten. Maar hij is amuzant, telt naast een paar hoogst hilarische scènes beslist een aantal literair zeer fraaie passages en is intrigerend, zeker als je wil weten hoe een groot auteur de waarheid kon liegen.