Artificiële intelligentie, feminisme en literatuur
Wie Jeanette Winterson kent of volgt, weet dat ze niet niet kan schrijven. Meer: die weet dat ze niet niet-literair kan schrijven. Winterson heeft een heel oeuvre, een Nobelprijs of toch zeker een Pulitzer of Booker Prize waardig, aan fictie geschreven. Faction eigenlijk, want haar verbeelding is diep verankerd in de werkelijkheid. Opgegroeid met een diep religieuze moeder in een pinkstergezin, en als outsider 'vernicht' door haar moeder o.a. omwille van haar lesbische geaardheid, kan ze ook niet anders dan schrijven daarover. Het is geen fictie, het is (ook) een afrekening, maar Winterson toont ook over een grote verbeelding te beschikken. Mijn favoriete boeken zijn die met de mooiste titels: Waarom gelukkig zijn, als je normaal kunt zijn en Appelsienen zijn niet het enige fruit.
Winterson schrijft ook kinderboeken, boeken met spookverhalen en wetenschappelijke non-fictie, dit keer over artificiële intelligentie. Maar een soortgelijk boek als dat van Winterson over de veel geprezen en veel gehekelde AI is nog nooit gemaakt, en zal ook nooit meer gemaakt worden.
AI heeft een lange voorgeschiedenis die Winterson kent en behandelt. Ze verbindt die ook aan de vrouwenstrijd voor gelijkheid. Wist u dat tot Steve Jobs met Apple op de proppen kwam evenveel vrouwen als mannen informatica studeerden en in IT werkten? Dat in de tweede wereldoorlog vooral vrouwen de Duitse codes hielpen kraken? Dat Apple de oorzaak is van de masculinisering van de studierichting en de job? Dat een vrouw, Ada Lovelace, het eerste computerprogramma schreef nog voor er computers waren - in de 19de eeuw?
Ook over het effect van AI op literatuur en op het leven zelf heeft Winterson originele dingen te zeggen in dit futuristisch, historisch en romantisch boek. Lees het. Het is leerrijk - een openbaring zelfs - , en wondermooi geschreven.
Synopsis
Twaalf essays van verleden naar toekomst over de invloed van AI, biotech en Big Data op de mens.