Verhalen uit een vergeten Jeruzalem
Geen stad met een turbulenter verleden dan Jeruzalem. Elke steen vertelt een verhaal van geloof, hoop en wanhoop. Jerusalem Lives is een verzameling individuele levensverhalen die als kapstok dienen om de complexiteit van de stad uit te leggen. De verhalen spelen zich vooral af op het einde van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Hoe kwam in die periode de moderniteit binnen in een stad waarin de verschillende religies de denkbeelden bepaalde? Wat was de invloed van vierhonderd jaar Ottomaanse administratie, het daaropvolgende Engelse bestuur in het mandaatgebied en het ontstaan van Israël, waarin geen Palestijnse staat tot stand kwam. Het boek bewijst dat biografieën heel interessant zijn om een periode uit de geschiedenis beter te begrijpen. Het is geïllustreerd met prachtige foto’s.
Zo is er het relaas van Selma Ekrem, de dochter van Ali Ekrem Bey, de Ottomaanse gouverneur van Jeruzalem in de jaren 1906-1908. Zij had een Armeense oppas en een Franstalige moeder en beschrijft heel precies het straatbeeld van de stad. Russen met kalpaks, mutsen van astrakan, hun vrouwen met sjaaltjes op het hoofd, onder hun kin dichtgeknoopt. Turkse soldaten, Grieks-Orthodoxe priesters met baarden en buishoeden, Arabische mannen met een keffiyeh, Sefardische Joden met pijpenkrullen, Armeniërs en Kopten. Op Paaszondag roepen de Orthodoxen ‘Christos Anesti’ door de straten, in optochten waarin ook Joden en Moslims meelopen. Als in 1908 in Turkije de Jonge Turken opstaan tegen de almacht van de sultan zijn de trillingen voelbaar tot in Jeruzalem. Bij de Arabische bevolking groeit de hoop op democratie en een rechtvaardiger bestaan. Selma’s vader krijgt schrik, vraagt zijn overplaatsing naar Istanboel, maar krijgt een aanstelling in Beiroet.
Jacob Norris, docent en directeur van het Middle East and North Africa Centre in Sussex, portretteert zuster Marie-Alphonsine Danil Ghattas (1843-1927). Een Palestijnse Christen, die in 2015 door Paus Franciscus zalig werd verklaard. Zij stichtte de Zusters van de Rozenkrans van Jeruzalem en werkte heel haar leven tussen de armen van Palestina. Een taak die de zusters nog steeds vervullen. Als je ooit in Jeruzalem bent, kan je hun gebedshuis vinden vlakbij Jaffa Gate. Norris beschrijft in een soort magisch realisme hoe Marie-Alphonsine een man weer tot leven wekt. Het gaat om Jubra’il Dabdoub, een handelaar uit Bethlehem, die met tyfus besmet was geraakt. Een interessant verhaal waarin je ook leert dat de Maagd Maria in Bethlehem in het Arabisch is-Sideh of al-Sayyida wordt genoemd. In ieder Palestijns dorp stond wel een schrijn voor haar dat zowel door Christenen als Moslims werd bezocht.
Najati Sidqi (1905-1979) was een vakbondsleider en een leidende figuur in het Arabische en Palestijnse communisme. Sidqi, die in Parijs was toen de Spaanse Burgeroorlog uitbrak, twijfelde niet en spoorde naar Spanje, naar de Republikeinen. Een verslag over zijn reis naar Spanje vanuit Frankrijk en de inlijvingsprocedure, verscheen in juni 1938 in al-Tali’a, een krant uit Beiroet. Dit verslag krijg je te lezen in het boek. Misschien licht geromantiseerd maar erg leerrijk.
Verward, ingewikkeld, gevaarlijk en onrechtvaardig was en is het leven in Palestina. Nazmi al-Jubeh, professor geschiedenis aan de universiteit van Birzeit, vertelt een familieverhaal dat zich afspeelt in de periode van het Britse Mandaatgebied (1920-1948) en de periode na de Nakba. Sjeik Hassan al-Labadi verkast uit Kufr al-Labad bij Tulkarem in 1936 naar Abu Dis, bij Jeruzalem. Veel geletterde dorpelingen trokken toen naar Jeruzalem, Haifa of Jaffa om werk te vinden, meestal in onderwijs of religieuze instellingen. Hassan al-Labad leeft in een tijd waarin de Arabische bevolking in opstand komt tegen het Britse bestuur en de groeiende Joodse immigratie. Als in 1939 de Oude Stad afgesloten wordt, behoort hij tot een groep die de Britten toegang probeert te ontzeggen tot al-Aqsa. Na een schermutseling waarbij hij een Britse officier neersteekt, belandt hij in de gevangenis van Akko. Hij krijgt levenslang. In het begin krijgt hij bezoek, maar als in 1948 de Haganah Akko veroveren, wonen ze plots in de door Jordanië gecontroleerde Westbank. Geen toegang meer tot Akko, geen nieuws over hun vader, ook niet via het Rode Kruis. Tot in 1982, door puur toeval, een spoor van hem leidt naar een ziekenhuis in Deir Yassin. De familie bezoekt hem, herkent hem ook. Na wat omwegen zal hij uiteindelijk zijn laatste dagen slijten bij zijn zoon, die ondertussen in Amman woont. Hij kan niet meer zeggen wat hij heeft meegemaakt in die meer dan veertig jaar gevangenschap.