Na het lezen van dit boek had ik alleen nog behoefte aan koffie drinken met Hannah Arendt
Een vrouwenconcentratie- en vernietigingskamp ten noorden van Berlijn, 20 april 1945.
Ernst, de elfjarige zoon van de plaatsvervangend kampcommandant Karl Zehlendorf is met zijn vier jaar oudere broer Reinhart aan het vissen bij het meer naast het kamp. Ze krijgen ruzie en Ernst loopt weg. Enkele uren later is het in het huis van Karl Zehlendorf en zijn vrouw Christine duidelijk dat Ernst vermist is. Met in de verte het aanhoudend gerommel van de Russen die Berlijn innemen begint een zenuwslopende zoektocht naar Ernst. De zoektocht zal 24 uur duren, tot het moment dat de Russen het kamp bevrijden.
Natter vertelt vanuit het perspectief van 31 personages. Zowel personages die instaan voor het functioneren van het concentratiekamp als slachtoffers van die personages worden gevolgd via korte tekstfragmenten. Steeds vermeldt Natter op welke locatie het personage zich bevindt: ‘in de ziekenbarak’, ‘in de spreekkamer’, ‘voorbij de hoofdpoort’, ‘in de bunker’, ‘onderweg’, ‘in de dienstwagen’, ‘in de tuin van huize Zehlendorf’. Natter schrijft wat die personages op deze locatie zien, horen, doen en vooral denken.
Het is aan de lezer om al die scènes als puzzelstukjes in elkaar te passen. Dat maakt dat je als lezer de ‘alwetende’ bent. Je weet precies wat gebeurt en vooral wat gebeurd is. Je weet voortdurend meer dan de afzonderlijke personages. En juist daarom slorpt het verhaal je helemaal op. Je wil het boek niet aan de kant leggen want je wil zien hoe iedereen meedraait in het raderwerk en je wil vooral weten hoe het met ze afloopt. Soms wil je de personages toeroepen: ‘Doe dat niet! Doe dit! Pas op! Ga niet verder! Loop weg!’
De organisatie en dagelijkse gang van zaken in het kamp worden gedetailleerd beschreven. Ook dit maakt van ‘Aan het einde van de oorlog’ geen vrolijke roman. Wat er zich afspeelt is akelig en gruwelijk.
Wat is er dan zo boeiend aan dit boek?
Je leert de personages goed kennen. Hun achtergrond, ideeën, mentaliteit en verwachtingen. Voor sommigen vat je sympathie op, anderen zet je weg als demonische monsters. Maar dan zijn er weer voor wie je mededogen aan de dag legt.
Dit maakt duidelijk dat goed en kwaad / slachtoffer en dader geen zwart-wit verhalen zijn. Het boek doet je de vraag stellen hoe de morele structuur van een volk zo kon ontaarden en wie daar de verantwoordelijkheid voor draagt.
Een collectieve verantwoordelijkheid? Elk individu evenveel verantwoordelijkheid? Treft de vrouw van de kampcommandant evenveel schuld als de commandant zelf? En dan, wat met de leden van het Sondercommando die de lijken uit de gaskamer moeten verbranden?
Jezelf deze vraag stellen en dan die vraag aan een ander stellen* dat is de grote verdienste van deze roman.
*uit het schitterend gedicht ‘Verzet’ van Remco Campert