Betoverend literair spel over schoonheid, geluk en verval
‘Er was eens een tijd die volgens sommigen nog steeds voortduurt. In die tijd was Nederland veel groter dan nu.’
Zo begint een van mijn favoriete Nooteboomboeken In de bergen van Nederland
(voor het eerst verschenen in 1984 als In Nederland en sinds de achtste druk in 1997 als In de bergen …).
Naar aanleiding van zijn overlijden op woensdag 11 februari 2026 en als hommage aan een groot Nederlands schrijver – de tijd van herinneren, lezen en denken duren voort en ja, Nederland was dankzij Nooteboom groter toen hij nog leefde – herlees ik de roman. Door het feit dat mijn vorige lectuur van In de bergen … enige tijd geleden is, ontdek ik weer onverwachte actuele ‘realia’ die zich momenteel afspelen in Europa en de wereld.
Maar eerst kort iets over het ‘literair spel …’ (cfr. titel van mijn leestip) dat Nooteboom hier weer meesterlijk beoefent. Hij vermomt zich als een Spaans vrijetijdsauteur Alfonso Tiburón de Mendoza, eigenlijk een Inspecteur van de Wegen in Zaragoza, die gestudeerd heeft in Delft, die een sprookje over twee jonge verliefde circusgoochelaars Kai en Lucia schrijft vol ironie ook regelmatig becommentarieert. Nooteboom gebruikt als voornaamste inspiratiebron De Sneeuwkoningin van Hans Christian Andersen (cfr. citaat aan het begin van de roman) en plaatst de roman in een breed Europees kader, waarbij hij een ‘rechtlijnig’ … Noordelijk Nederland, waar de macht zich situeert en een ‘chaotisch maar vrijer’ … Zuidelijk Nederland (cfr. tekening op volgende pagina na het citaat) onderscheidt.
Tiburón (Spaans voor ‘haai’) geeft ook fijntjes cultuurkritiek in de roman als hij het verval van het circus en de opkomst van de televisie betreurt, die het ‘volmaakt schone en gelukkige kunstenaarskoppel’ Kai en Lucia verplicht om te verhuizen van noord naar zuid – het begin van een spannende ‘misdaadroman’ (geweld, seks, totalitair systeem) met welke uitkomst? En wat te denken van het bewaken van grenzen tussen Noordelijk en Zuidelijk Europa door politie van bedenkelijk allooi in het licht van de actuele migratie?
Cees Nooteboom betovert ook door zijn Nederlandse taal die hij vermengt met andere idiomatisch taalgebruik, zorgt voor nog meer diepgang dankzij filosofisch commentaar en citaten en verwoordt maatschappijkritiek maar vooral ook zijn liefde voor het stille, natuurlijke Spanje onder meer tijdens een bezoek aan een kartuizerklooster Cartuja de Aula Dei – een voorafschaduwing van een ‘magistraal’ reisboek De omweg naar Santiago (1992).
‘Ik zat daar nog lang en gelukkig.’
Zo beëindigt Nooteboom de roman als in een sprookje, zogezegd na het ‘gelukkig hinkelen op de speelplaats naast het klaslokaal’, waar Tiburón de roman schreef.
In werkelijkheid vindt het einde plaats voor de auteur in Sant Lluis op het eiland Menorca, op 11 augustus 1984 – nu zijn ‘eeuwige’ schrijfplaats.
Bijkomende informatie: ik las de elfde druk uit 2010 met een belangrijk nawoord van de Argentijns-Canadese auteur Alberto Manguel, bekend van Een geschiedenis van het lezen.
Synopsis
In een denkbeeldige zuidelijke uitbreiding van Nederland speelt een sprookje van twee circusartiesten.